Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201300183/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2010 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300183/1/V2.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de minister van Buitenlandse Zaken,

2. [vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en anderen (hierna gezamenlijk: de vreemdelingen), appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 7 december 2012 in zaak nr. 11/35748 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2010 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: een mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 december 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de vreemdelingen 1 en 2, het besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de minister in zoverre een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, en de vreemdelingen hoger beroepen ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

In het hoger beroep van de vreemdelingen

2. Hetgeen door de vreemdelingen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. Het hoger beroep van de vreemdelingen is kennelijk ongegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

4. De Afdeling begrijpt het betoog van de vreemdelingen in het verweerschrift aldus, dat zij vragen het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de gestelde gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze daadwerkelijk is gemachtigd om namens de staatssecretaris hoger beroep in te stellen.

4.1. Krachtens artikel 1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit Mandaatverlening Hoofd Visadienst 1997 (Stcrt. 1997, 247, rectificatie in Stcrt. 1998, 62) zijn aan het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst in diens functie van hoofd van de Visadienst bevoegdheden gemandateerd, die de visumverlening betreffen.

Op 1 januari 1998 is het Besluit Ondermandaatverlening Hoofd Visadienst (Stcrt. 1997, 247; hierna: het besluit) in werking getreden. Het besluit is laatstelijk op 27 augustus 2010 (Stcrt. 2010, 15175) gewijzigd.

Het hoofd van de Visadienst heeft in artikel 1, aanhef en onder a, van het besluit en de daarbij behorende lijst van functionarissen senior procesvertegenwoordigers van de Directie Procesvertegenwoordiging gemachtigd tot het aanwenden van rechtsmiddelen.

In dit geval heeft een zodanige functionaris namens de minister het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingediend.

Het betoog van de vreemdelingen faalt.

5. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de strekking en de tekst van de brief van de minister van Immigratie, Integratie en Asiel aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 16 juli 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 19 637, nr. 1568), ten aanzien van het biologisch kerngezin, bestaande uit referent en de vreemdelingen 1 en 2, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de onderling tegenstrijdige verklaringen van de vreemdelingen en referent aan hen worden tegengeworpen. De staatssecretaris betoogt daartoe dat de rechtbank aldus het toetsingskader van artikel 8:69 van de Awb heeft miskend, nu de vreemdelingen zich in beroep niet op deze brief hebben beroepen.

5.1. Uit de stukken kan niet worden afgeleid, en ook anderszins blijkt niet, dat de door de rechtbank gebezigde vernietigingsgrond door de vreemdelingen is ingeroepen. Door de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer bij haar beoordeling te betrekken, is de rechtbank derhalve buiten het geschil getreden (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2012 in zaak nr. 201104193/1/V1). Reeds hierom slaagt de grief.

6. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep van de vreemdelingen 1 en 2 gegrond heeft verklaard en het besluit van 7 oktober 2011 in zoverre heeft vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

7. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2013 in zaak nr. 201209349/1/V1 faalt het betoog van de vreemdelingen 1 en 2, dat het stellen van het vereiste dat een vreemdeling feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon heeft behoord in strijd is met richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

8. In beroep hebben de vreemdelingen 1 en 2 voorts betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft overwogen dat zij, gelet op de door alle vreemdelingen afgelegde tegenstrijdige verklaringen, niet aannemelijk hebben gemaakt tot aan het moment van vertrek van referent uit het land van herkomst feitelijk tot diens gezin te hebben behoord. Zij voeren in dit kader allereerst met een beroep op het vertrouwensbeginsel aan dat er, gelet op het feit dat DNA-onderzoek is verricht, waaruit is gebleken dat vreemdeling 1 en referent de biologische ouders zijn van vreemdeling 2, het ontbreken van een feitelijke gezinsband met referent niet meer aan hen mocht worden tegengeworpen. Subsidiair betogen zij dat zij geen scholing hebben gehad en dat dit hun eerste interview was, dat de gehoren en de verslaglegging daarvan niet zorgvuldig zijn geschied, dat niet te controleren is of van beëdigde tolken gebruik is gemaakt, en dat voor zover de verklaringen van de vreemdelingen tegenstrijdig zijn geacht, zij daarvoor verklaringen hebben gegeven.

8.1. Met hetgeen de vreemdelingen 1 en 2 subsidiair betogen wordt geen afdoende verklaring gegeven voor de tegengeworpen tegenstrijdige verklaringen, zodat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt tot aan het moment van vertrek van referent uit het land van herkomst feitelijk tot diens gezin te hebben behoord. Dat is gebleken dat vreemdeling 1 en referent de biologische ouders van vreemdeling 2 zijn, biedt geen grond voor een ander oordeel, nu daarmee de feitelijke gezinsband met referent niet alsnog aannemelijk is gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013 in zaak nr. 201206772/1/V1). De vreemdelingen 1 en 2 mochten er dan ook niet op vertrouwen dat, gelet op het feit dat DNA-onderzoek is verricht, het ontbreken van een feitelijke gezinsband met referent niet meer aan hen kon worden tegengeworpen. Het betoog faalt.

9. De vreemdelingen 1 en 2 hebben ten slotte met een beroep op artikel 4:84 van de Awb betoogd dat de staatssecretaris in afwijking van het beleid, gezien de bijzondere omstandigheden van hun geval, tot afgifte van een mvv had moeten overgaan. Zij wijzen erop dat het bij afwijzing blijvend onmogelijk zal zijn om het gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM uit te oefenen, nu referent vanwege de onveilige situatie in zijn land van herkomst niet kan terugkeren naar dat land en zijn gezinsleden niet naar Nederland mogen komen.

9.1. Nu het vereiste feitelijk te behoren tot het gezin van de vreemdeling die verdragsvluchteling is voortvloeit uit artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, en derhalve uit een wet in formele zin, kan het beroep op artikel 4:84 van de Awb niet slagen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2010 in zaak nr. 200909719/1/H3).

9.2. Het beroep van de vreemdelingen 1 en 2 is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister van Buitenlandse Zaken gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 7 december 2012 in zaak nr. 11/35748, voor zover de rechtbank daarbij het door de vreemdelingen 1 en 2 ingestelde beroep gegrond heeft verklaard en het besluit van 7 oktober 2011 in zoverre heeft vernietigd;

IV. verklaart het door de vreemdelingen 1 en 2 ingestelde beroep ongegrond;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bossmann

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

314-754.