Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2360

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201300153/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding parkeerplaats Bellevue" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/3 met annotatie van D. van der Meijden
H.J. de Vries annotatie in TBR 2014/10

Uitspraak

201300153/1/R1.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, wonend te Blaricum,

2. [appellanten sub 2], wonend te Blaricum,

en

de raad van de gemeente Blaricum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitbreiding parkeerplaats Bellevue" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, [appellanten sub 2], in de persoon van [appellant sub 2 B], en de raad, vertegenwoordigd door B. Gangelhof, P. de Cocq en M. Hoorn, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat te Utrecht, en [gemachtigde], als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de raad om een nadere motivering gevraagd. Bij brief van 28 augustus 2013 heeft de raad op dit verzoek gereageerd. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1] en anderen en [belanghebbende] daarop een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een tweede onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een uitbreiding van het bestaande parkeerterrein Bellevue op de hoek van de Huizerweg en de Bergweg te Blaricum. Het bestaande parkeerterrein heeft 24 parkeerplaatsen. Met de uitbreiding biedt het parkeerterrein ruimte voor in totaal 73 parkeerplaatsen.

3. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en anderen hun beroepsgrond dat het onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit onvoldoende is, ingetrokken.

4. [appellanten sub 2] betogen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Zij hadden moeten worden uitgenodigd om zitting te nemen in de Klankbordgroep. Ook is de inspraak beknot door het vermelden van een foutief adres in de bekendmaking van de inspraakmogelijkheid. [appellanten sub 2] voeren tevens bezwaren aan over de samenstelling van de tussentijds in Adviesgroep gewijzigde Klankbordgroep.

4.1. Het bieden van inspraak maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Hetgeen [appellanten sub 2] over de wijze waarop de inspraak is verlopen naar voren hebben gebracht, wat er ook van zij, heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad het plan op basis van onjuiste feitelijke gegevens heeft vastgesteld. Zo is onder meer uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat het plan voorziet in een uitbreiding van ongeveer 1000 m², terwijl het gaat om een grotere oppervlakte, aldus [appellant sub 1] en anderen.

5.1. [appellant sub 1] en anderen hebben geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van een onjuiste veronderstelling wat betreft het aantal vierkante meters. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat het plan in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS), omdat het plan voorziet in een stedelijke ontwikkeling buiten het Bestaand Bebouwd Gebied, zoals aangewezen op grond van de PRVS.

6.1. De raad stelt dat gelet op de PRVS het plangebied buiten het zogeheten Bestaand Bebouwd Gebied ligt. Weliswaar mag in principe geen verstedelijking buiten bebouwingscontouren, dat wil zeggen geen nieuwe vestigingen of uitbreiding van stedelijke functies, intensieve recreatieve functies of bebouwing voor extensieve recreatieve functies, plaatsvinden, maar het parkeerterrein behoort tot de infrastructuur ten behoeve van stedelijke functies. Het parkeerterrein maakt geen extra stedelijke functies mogelijk en valt daarom volgens de raad niet onder het begrip stedelijke functie, zodat de parkeerplaatsen buiten het Bestaand Bebouwd Gebied kunnen worden gerealiseerd. In dit verband stelt de raad voorts dat vanwege de provincie geen overlegreactie is ingediend en ook geen zienswijze.

6.2. Ingevolge artikel 1, onder 5, van de PRVS wordt onder bebouwing verstaan: één of meerdere gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 1, onder 38, wordt onder verstedelijking verstaan: alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt als Bestaand Bebouwd Gebied aangewezen:

a het gebied, als zodanig aangegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan en

b de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreden van de verordening - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing en kassen, waaronder mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, zoals dit gold ten tijde van belang, voorziet een bestemmingsplan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13, ook niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, in het landelijk gebied.

6.3. Aan de gronden binnen het plangebied is de bestemming "Verkeer" toegekend met de aanduiding "parkeerterrein".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" uitsluitend een parkeerterrein;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidwerende voorzieningen, groen, nutsvoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater.

Ingevolge lid 3.2 mag op deze gronden worden gebouwd en gelden de volgende regels:

a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;

[…]

6.4. De Afdeling overweegt dat het voorziene parkeerterrein is aan te merken als verstedelijking in de zin van artikel 1, onder 38, van de PRVS. Het gaat om een functie die verband houdt met in ieder geval wonen en bedrijvigheid. De bestemming "Verkeer" met de aanduiding "parkeerterrein" laat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toe. Deze bouwwerken vallen onder de definitie van bebouwing in artikel 1, onder 5, van de PRVS, waarmee sprake is van een functie die het oprichten van bebouwing mede mogelijk maakt, als bedoeld in artikel 1, onder 38, van de PRVS.

Nu het plangebied in het landelijk gebied is gelegen, buiten Bestaand Bebouwd Gebied, en het college van gedeputeerde staten geen ontheffing heeft verleend van het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de PRVS, is het plan vastgesteld in strijd met die bepaling.

7. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de uitbreiding van het parkeerterrein Bellevue niet noodzakelijk is. De raad stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de behoefte aan de uitbreiding voldoende inzichtelijk is gemaakt. Van de 49 benodigde parkeerplaatsen zijn er al 30 gerealiseerd, aan de Bergweg en op het Oranjeweitje. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de extra parkeerplaatsen gefaseerd zullen worden aangelegd, waarbij na elke fase zal worden geëvalueerd of tot uitvoering van de volgende fase kan worden overgegaan. Dit wijst er volgens hen op dat onvoldoende onderzoek naar de behoefte is gedaan.

7.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar het rapport "Inventarisatie parkeercapaciteit privé terrein, aanvullend parkeeronderzoek Oude Dorp Blaricum" van DHV B.V. van augustus 2011 (hierna: het rapport uit 2011) op het standpunt dat de in het plan voorziene uitbreiding van de parkeergelegenheid voor langparkeerders gerechtvaardigd is. Wat de parkeercapaciteit voor langparkeerders betreft wordt uitgegaan van vijftien beschikbare plaatsen door de week op het bestaande parkeerterrein Bellevue, tien plaatsen langs de Bergweg en zeventien plaatsen langs het Oranjeweitje. Als daarbij de 49 plaatsen waarin het plan voorziet worden opgeteld, dan gaat het om 91 beschikbare parkeerplaatsen voor langparkeerders door de week. Voor de zaterdag zijn er voor langparkeerders geen beschikbare plaatsen op het bestaande terrein, waardoor het totaal aan beschikbare parkeerplaatsen voor langparkeerders op 76 komt. De parkeerbehoefte is voor langparkeerplaatsen geraamd op 69 plaatsen op een werkdag en 60 plaatsen op zaterdag. Weliswaar ontstaat zowel op een werkdag als op zaterdag een overschot aan parkeerplaatsen, maar hiermee kan de parkeerbehoefte worden opgevangen als gevolg van een uitbreiding van functies in het oude dorp en in geval van evenementen. Voorts heeft de raad aangegeven dat de gemeente eigenaar is van de gronden binnen het plangebied en dat de uitvoering in drie fases zal geschieden, waarbij na elke fase zal worden bezien of uitvoering van een volgende fase noodzakelijk is.

7.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan mede heeft gebaseerd op het rapport uit 2011 en dat gelet daarop ervan moet worden uitgegaan dat niet reeds 30 van de benodigde 49 parkeerplaatsen zijn gerealiseerd aan de Bergweg en het Oranjeweitje. De raad heeft zich aldus op het standpunt gesteld dat naast de aan de Bergweg en het Oranjeweitje gerealiseerde parkeerplaatsen behoefte bestaat aan 49 extra plaatsen op het parkeerterrein Bellevue. Uit de cijfers waarop de raad zich baseert blijkt dat er wat betreft de totale parkeercapaciteit voor langparkeerders met inbegrip van de voorziene uitbreiding van het parkeerterrein een zekere marge is aangehouden, waarbij een overschot aan parkeerplaatsen bestaat ten opzichte van de te verwachten parkeerbehoefte. De Afdeling acht dit op zichzelf niet onredelijk. Daarbij betrekt de Afdeling dat door het berekende overschot aan parkeerplaatsen ruimte bestaat om te kunnen voldoen aan extra vraag naar parkeergelegenheid bij mogelijke nieuwe functies in het oude dorp en bij te houden evenementen. Uit de omstandigheid dat de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen gefaseerd zal plaatsvinden, kan niet worden afgeleid dat bij de vaststelling van het plan niet mocht worden uitgegaan van de uitbreiding van het parkeerterrein zoals die in het plan is voorzien. Met hun stelling dat de door [belanghebbende] geëxploiteerde supermarkt in 2009 is uitgebreid, zonder dat toen een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen is gerealiseerd hebben [appellant sub 1] en anderen, wat daar ook van zij, niet aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene parkeerplaatsen voor langparkeerders. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de met het plan voorziene uitbreiding van het parkeerterrein noodzakelijk heeft kunnen achten.

8. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat het Oranjeweitje een aanvaardbaar alternatief zou kunnen zijn, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Oranjeweitje geen mogelijkheden biedt voor verdere uitbreiding ten behoeve van langparkeerders. Weliswaar kan het Oranjeweitje voor een zeer beperkt gedeelte soelaas bieden, maar de Afdeling acht aannemelijk dat dat geen oplossing is voor het langparkeren in het oude dorp van Blaricum. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het wenselijk is om een evenwichtige verdeling van parkeerplaatsen voor langparkeerders over het Oranjeweitje en het terrein Bellevue te verkrijgen ten behoeve van spreiding van het aantal verkeers- en parkeerbewegingen en de opvang van langparkeerders vanaf beide hoofdtoegangswegen naar het centrum.

9. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat met het plan een onaanvaardbare inbreuk wordt gemaakt op de karakteristieken van het landschap. Zij wijzen in dit verband op het in hun opdracht opgestelde rapport "Stedenbouwkundige analyse van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving van het huidige parkeerterrein tegenover hotel/restaurant/café Bellevue, Blaricum" van Van Steennis B.V. van 15 december 2012. Specifiek wordt volgens hen de Blaricummer eng, waartoe het plangebied, anders dan de raad stelt, behoort, in ernstige mate aangetast. Voorts is het plangebied volgens [appellant sub 1] en anderen als beschermenswaardig aan te merken vanwege het uitzicht over het open groengebied in verschillende richtingen. Dit volgt ook uit het feit dat aan de gronden in het voorgaande plan "Blaricum Dorp" de bestemming "Groen" was toegekend, aldus [appellant sub 1] en anderen.

9.1. Het plangebied ligt volgens de raad weliswaar in de nabijheid van de Blaricummer eng, maar de gronden in het plangebied zelf zijn geen enggronden en daarmee niet cultuurhistorisch waardevol. Die gronden zijn namelijk vlak en de enggronden liggen een stuk hoger. Dat de gronden in het voorgaande plan een groenbestemming hadden is volgens de raad juist, maar met die bestemming worden de waarden van gronden niet beschermd. Daarvoor geldt namelijk een andere bestemming, te weten de bestemming "Enggronden", aldus de raad. Verder wordt het plangebied reeds ingesloten door een bestaande woning en twee wegen, waardoor het plangebied geen expliciet open karakter heeft.

9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat geen ernstige inbreuk op de karakteristieken van het landschap wordt gemaakt. De gronden van het plangebied maken geen deel uit van de Blaricummer eng. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door de uitbreiding van een bestaand parkeerterrein de bestaande lijnen, knooppunten, boerderijen, andere gebouwen en groenstructuren van het beschermd dorpsgezicht niet worden aangetast. Voor nadere beschermende maatregelen heeft de raad geen aanleiding hoeven zien. Het overgelegde rapport van Van Steennis B.V. geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover in het rapport wordt ingegaan op de gevolgen van het huidige parkeerterrein voor de ruimtelijke kwaliteit dient het buiten beschouwing te blijven. Dat het open groengebied voor Hotel Bellevue volgens het rapport bijdraagt aan de ruimtelijke karakteristiek van Blaricum, betekent niet dat de uitbreiding van het parkeerterrein zal leiden tot een onevenredige aantasting van die ruimtelijke waarden.

10. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de raad is uitgegaan van een te lage toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan. Zij stellen in dat verband dat geen rekening is gehouden met kortparkeerders en met zoekverkeer bij manifestaties en evenementen. Voorts gaat de raad ten onrechte ervan uit dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Verder vrezen zij dat het plan tot een geluidsbelasting op de gevels van hun woningen leidt die in strijd is met de Wgh.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de verwachting is dat één parkeerplaats per dag door drie verschillende auto’s wordt gebruikt, een zogenoemde turnover van 3. Dit betekent dat het aantal verkeersbewegingen op de Bergweg zal toenemen met ten hoogste 300 motorvoertuigen per etmaal. Bij langparkeren wordt volgens de raad in het algemeen rekening gehouden met een turnover van 2. De raad acht een turnover van 3 echter meer reëel, omdat rekening moet worden gehouden met functies in de nabijheid van het terrein die voor middellange tijd worden bezocht. Maar waarschijnlijk is de turnover van 3 een worstcase-benadering, aldus de raad. Voorts is het parkeerterrein bestemd voor langparkeerders en is om die reden geen rekening gehouden met kortparkeerders. Manifestaties en evenementen kennen volgens de raad een lange bezoektijd, zodat de turnover lager zal zijn.

De raad geeft aan dat de nieuwe aansluiting van het parkeerterrein op de Bergweg wellicht moet worden aangemerkt als reconstructie en dat er daarom onderzoek is verricht. In het onderzoek is voor de verkeersintensiteiten en voertuigverdeling op de Bergweg aangesloten bij de gegevens uit het voorgaande bestemmingsplan "Blaricum Dorp". De intensiteiten voor 2006 zijn bekend en met een autonome groei van 1,5% per jaar, hetgeen volgens de raad een relatief hoog percentage is, doorgerekend naar de maatgevende jaren 2011 en 2022. De verkeerstoename als gevolg van het plan is vervolgens opgeteld bij de verkeersintensiteiten voor 2022. Daarbij merkt de raad op dat in de huidige situatie ook verkeer aanwezig is als gevolg van het parkeerterrein, maar dat dit aandeel verkeer vanuit een worstcasebenadering niet in mindering wordt gebracht op de verkeerstoename. De geluidsbelasting is berekend op 10 m afstand uit de wegas. Uit het reconstructieonderzoek volgt dat de geluidsbelasting toeneemt met 1,32 dB, namelijk van 54,48 dB in 2011 naar 55,8 dB in 2022. Omdat de toename lager is dan 1,5 dB, is geen sprake van reconstructie, aldus de raad.

10.2. Ingevolge artikel 1 van de Wgh wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder 'reconstructie van een weg' verstaan: één of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg ten gevolge waarvan uit akoestisch onderzoek […] blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege de weg in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen ten opzichte van de geluidbelasting die […] als de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting geldt met 2 dB of meer wordt verhoogd.

10.3. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de raad is uitgegaan van een te lage toename van het aantal verkeersbewegingen. Voorts geeft hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het reconstructieonderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Nu geen sprake is van een reconstructie en het plan geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk maakt, is het plan niet in strijd met de Wgh vastgesteld.

11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen daarbij op geluid- en stankoverlast van rijdende en stilstaande auto’s, geluid van bezoekers van het parkeerterrein en van dichtslaande autodeuren, lichthinder en een aantasting van hun privacy. Ook [appellanten sub 2] vrezen voor aantasting van hun privacy. Daarnaast vrezen zij voor een aantasting van hun uitzicht.

11.1. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat. Gezien het aantal voorziene extra parkeerplaatsen en de daarmee gepaard gaande verkeersbewegingen alsmede de afstand van het parkeerterrein tot de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van ernstige geluid- en stankoverlast. Van een onevenredige aantasting van de privacy is ook geen sprake. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen het parkeerterrein en de woningen een openbare weg ligt. Eventuele hinder van inschijnende koplampen zal worden beperkt door een haag om het parkeerterrein aan te leggen. Het zicht vanaf de Bergweg op de achterliggende cultuurhistorisch waardevolle gronden is reeds beperkt door de aanwezigheid van de woning op het perceel Huizerweg 12a. Het plan leidt tot een slechts beperkte aantasting van het zicht gelet op het open karakter van het parkeerterrein. Voorts is in aanmerking genomen dat om het parkeerterrein een haag met een uit oogpunt van sociale controle beperkte hoogte zal worden aangelegd om de auto’s voor een deel aan het zicht te onttrekken.

12. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Strategische Visie Blaricum uit 2010, waarin staat dat het dorpse karakter moet worden gehandhaafd. Ook [appellanten sub 2] voeren aan dat het agrarische, dorpse karakter wordt aangetast.

12.1. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de uitbreiding van het parkeerterrein niet tot een zodanige aantasting leidt dat het dorpse karakter van Blaricum niet wordt gehandhaafd. Strijd met de genoemde visie doet zich niet voor. Het betoog faalt.

13. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het plan leidt tot een aantasting van de relatie tussen het rijksmonument aan de Langeweg 1 en het weiland waar de uitbreiding van het parkeerterrein is voorzien.

13.1. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat tussen het rijksmonument en het weiland een verband bestaat dat bescherming verdient. Het plangebied ligt aan de andere kant van de Bergweg. Het betoog faalt.

14. [appellant sub 1] en anderen achten het plan in strijd met de Welstandsnota Gemeente Blaricum, omdat daarin weilanden vanwege hun weidse zicht waardevol worden geacht voor het landelijk beeld.

14.1. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet tot een ernstige aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het desbetreffende gebied zal leiden. Strijd met genoemde nota doet zich niet voor. Het betoog faalt.

15. [appellant sub 1] en anderen wijzen erop dat het college van gedeputeerde staten weliswaar ontheffing heeft verleend van de provinciale milieuverordening in verband met de omstandigheid dat het plangebied onderdeel is van een aardkundig monument, maar dat dit niet betekent dat het plangebied geen bescherming verdient. Zij betogen dat het plangebied ten onrechte geen deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). [appellanten sub 2] betogen dat de nabijgelegen EHS door de met het plan voorziene ontwikkeling wordt aangetast.

15.1. Voor zover [appellant sub 1] en anderen aanvoeren dat het plangebied ten onrechte geen deel uitmaakt van de EHS, wordt overwogen dat dit betoog geen betrekking heeft op het bestemmingsplan en derhalve in deze procedure niet aan de orde kan komen. Voorts hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat gronden die tot de EHS behoren door de met het plan voorziene ontwikkeling worden aangetast.

16. Voor zover [appellant sub 1] en anderen vrezen voor problemen vanwege slechte afwatering en vanwege hemelwatertoevoer over de weg bij extreme regenval, overweegt de Afdeling zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake zal kunnen zijn van een zodanige wateroverlast dat de raad het plan niet zo had kunnen vaststellen.

17. [appellant sub 1] en anderen betogen dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan archeologisch onderzoek had moeten plaatsvinden en niet pas in het kader van de uitvoering van het plan.

17.1. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding geeft voor het oordeel dat in het kader van de voorbereiding van het plan nader archeologisch onderzoek had moeten worden verricht. In de plantoelichting is aangegeven dat op grond van de archeologische beleidskaart voor de gemeenten Blaricum, Eemnes en Laren voor het plangebied de beleidscategorie "Gebieden met een hoge archeologische verwachting" geldt, waarbij er een onderzoeksplicht is bij een bodemverstoring met een oppervlakte van meer dan 200 m2 en een diepte van meer dan 30 cm onder het maaiveld. Gezien het feit dat door de voorgenomen werkzaamheden de bodem slechts beperkt zal worden geroerd kon de raad volstaan met het opnemen van de verplichting om voorafgaand aan de ontwikkeling van het plangebied nader archeologisch onderzoek te verrichten indien sprake is van bodemverstoring in voormelde zin.

18. [appellanten sub 2] voeren aan dat onduidelijk is of het flora- en faunaonderzoek objectief is verricht, door een onafhankelijke deskundige.

18.1. In de plantoelichting is ingegaan op de ecologische aspecten en is geconcludeerd dat deze de uitvoering van het plan niet in de weg staan. [appellanten sub 2] hebben geen gegevens overgelegd die daaraan afbreuk kunnen doen. Voor twijfel aan de deskundigheid van degene die het onderzoek heeft verricht bestaat geen aanleiding. Het betoog faalt.

19. Volgens [appellanten sub 2] is onvoldoende onderzoek verricht naar de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan. Zo ontbreekt een specificatie van de planschade.

19.1. De enkele verwijzing naar vaste jurisprudentie om te onderbouwen dat onvoldoende onderzoek is verricht is onvoldoende. Kosten in verband met planschade behoeven niet in het plan opgenomen te worden. Het betoog faalt.

20. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat het plan tot een waardedaling van hun woningen leidt.

20.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 1] en anderen betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.

In stand laten rechtsgevolgen

21. Gelet op overweging 6.4 is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 14, eerste lid, van de PRVS te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

22. Met de inwerkingtreding van het besluit van 17 december 2012 tot wijziging van de PRVS zijn onder meer de artikelen 14 en 15 van de PRVS gewijzigd.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13 van deze verordening.

Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking in het landelijk gebied anders dan de verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12 en 13, indien:

a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond;

b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen Bestaand Bebouwd Gebied kan worden gerealiseerd en;

c. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, voldoet een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking als bedoeld in de artikelen 12, 13, 13a en 14 in het landelijk gebied, aan de uitgangspunten zoals vermeld in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie ten aanzien van:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;

c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten.

23. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat wordt voldaan aan de eisen van artikel 14, tweede lid, van de PRVS.

Ten aanzien van de noodzaak van verstedelijking overweegt de Afdeling dat gelet op hetgeen in 7.2 is overwogen de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die noodzaak is aangetoond. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de voorwaarde dat de beoogde uitbreiding van het parkeerterrein niet binnen Bestaand Bebouwd Gebied gerealiseerd kan worden. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat voor de uitbreiding geen alternatieven aanwezig zijn. Zoals onder 8 is overwogen, is aannemelijk dat het Oranjeweitje geen verdere mogelijkheden voor uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen voor langparkeerders biedt.

Ten aanzien van de voorwaarde dat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, in acht moet worden genomen overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft zich onder verwijzing naar de hoofdstukken 3 en 4 van de plantoelichting op het standpunt gesteld dat bij de uitbreiding van het parkeerterrein geen bijzondere landschappelijke waarden in het geding zijn. Zoals in 9.2 is overwogen is het standpunt van de raad dat geen ernstige inbreuk op de karakteristieken van het landschap wordt gemaakt, niet onredelijk. Aantasting van aardkundige waarden is ook niet aannemelijk gemaakt. Daarbij betrekt de Afdeling dat met het oog op de aanwezige aardkundige waarden ontheffing is verleend van de provinciale milieuverordening. Ook het standpunt van de raad dat de openheid van het landschap niet in geding is, is niet onredelijk, gelet op de ligging van het terrein in de oksel van de Bergweg en de Huizerweg. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de Bergweg en de Huizerweg als historische structuurlijnen kunnen worden aangemerkt, maar dat van aantasting van de historische structuurlijnen geen sprake is. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het parkeerterrein ligt in de oksel van die wegen. Ook de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur worden volgens de raad niet aangetast. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door het verplaatsen van langparkeerders de bereikbaarheid van de voorzieningen in het oude dorp juist in sterke mate wordt verbeterd.

24. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Proceskosten

25. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 2] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Blaricum van 13 november 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Uitbreiding parkeerplaats Bellevue";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Blaricum tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.519,00 (zegge: vijfentwintighonderdnegentien euro), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Blaricum aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan [appellant sub 1] en anderen een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- aan [appellanten sub 2] een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

91.