Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201211637/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Esbeekseweg ongenummerd (naast 12) en 21" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201211637/1/R3.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Esbeek, gemeente Hilvarenbeek (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

de raad van de gemeente Hilvarenbeek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Esbeekseweg ongenummerd (naast 12) en 21" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A], Bouwstoffenservice Midden-Brabant B.V., [partij B], [partij C] en [partij D], derdenbelanghebbenden, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door ing. P.J.M. van Leest, en de raad, vertegenwoordigd door M. van Dam-Vogels en M. Morel, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door ing. L.F.A. Theuws van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schoonderbeek en Partners Advies B.V. (hierna: SPA Advies), zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A], Bouwstoffenservice Midden-Brabant B.V., [partij B], [partij C] en [partij D], vertegenwoordigd door mr. W.P.N. Remie en mr. J.J.J. de Rooij, beiden advocaat te Tilburg, gehoord.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgronden met betrekking tot de straalcabines in het akoestische en het luchtkwaliteitsonderzoek, de in het plan toegelaten bouwhoogten voor de puinbreker, voor de silo’s en de erfafscheiding alsmede de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.7, van de planregels ingetrokken.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een deel van het bedrijventerrein De Mierbeek in Esbeek, waar voorheen een steenfabriek was gevestigd, ten behoeve van vier bedrijven die zich daar in 2009 hebben gevestigd.

4. [appellant] betoogt dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onzorgvuldig tot stand is gekomen. Er is ten onrechte niet voldaan aan het gemeentelijke vergadermodel, omdat de zogenoemde "ronde" achterwege is gebleven in de besluitvorming.

4.1. Het voldoen aan het gemeentelijke vergadermodel maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het eventueel schenden van dit vergadermodel door het achterwege laten van de zogenoemde "ronde" heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure. De regels terzake van de "ronde" zien slechts op de interne procedure met betrekking tot de besluitvorming bij de gemeente Hilvarenbeek. Evenmin kan hierin aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" in strijd is met het verbod in artikel 3.8, eerste lid, van de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: de verordening), dat inhoudt dat een bestemmingsvlak voor bedrijven niet groter mag zijn dan 5000 m², indien het bestemmingsplan is gelegen in een kern in landelijk gebied of zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, behorend bij een kern in landelijk gebied. In dit verband voert hij aan dat de uitzondering hierop in artikel 3.8, tweede lid, niet van toepassing is, omdat het vorige bestemmingsplan "De Mierbeek" voorzag in een ontwikkeling van de locatie van de voormalige steenfabriek naar een kleinschalig bedrijventerrein met bouwpercelen van maximaal 5000 m². Voorts maakt het plan puinbreekactiviteiten mogelijk die in het vorige plan niet waren toegestaan. Daarom is volgens hem de bestemming niet verwezenlijkt en is de uitzondering op het verbod niet van toepassing. Dat de bedrijfspercelen in het plan kleiner zijn dan in het vorige plan en dat de betreffende dienst van de provincie te kennen heeft gegeven dat hij instemt met het plan, doet er niet aan af dat de percelen in het plan groter zijn dan 5000 m². Ook aan de in artikel 3.8, derde en vierde lid, van de verordening opgenomen verantwoordingsplicht is volgens hem niet voldaan.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het verbod in artikel 3.8, eerste lid, van de verordening in dit geval niet van toepassing is, omdat de bestemming is verwezenlijkt. In dit verband brengt de raad naar voren dat sprake is van een reeds bestaande situatie, nu een steenfabriek op het bedrijventerrein was gevestigd en in het vorige bestemmingsplan "De Mierbeek" aan het plandeel reeds een bedrijfsbestemming was toegekend met een bestemmingsvlak groter dan 5000 m². De mogelijkheid tot de vestiging van de steenfabriek en de vestiging van bedrijven in de milieucategorieën 2 en 3 is hierin rechtstreeks toegestaan. Een verantwoording als bedoeld in artikel 3.8, derde en vierde lid, van de verordening is dan niet noodzakelijk.

5.2. Het plandeel ligt blijkens de kaart bij de verordening in een kern in landelijk gebied.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de verordening sluiten bestemmingsplannen die zijn gelegen in een kern in landelijk gebied of zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, behorend bij een kern in landelijk gebied, uit dat bedrijven gelegen zijn op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5000 m².

Ingevolge het tweede lid geldt het bepaalde in het eerste lid niet:

a. voor zover de bestemming is verwezenlijkt;

b. voor de regionale bedrijventerreinen.

Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het eerste lid een bestemmingsplan voorzien in een vestiging of een uitbreiding van een bedrijf, gelegen op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5000 m², mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

5.3. Het plan voorziet in de bestemming "Bedrijventerrein" op vier percelen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor:

a. bedrijven in milieucategorie 2, 3.1 en 3.2 van de in de bijlagen bij deze regels opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten;

(…)

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij", tevens voor een puinbrekerij.

5.4. In het vorige bestemmingsplan "De Mierbeek" was aan de vier percelen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van dat plan zijn deze gronden bestemd voor:

(…)

c. ter plaatse van de aanduiding "II-III" op de kaart de uitoefening van industriële, ambachtelijke en groothandelsbedrijven die voorkomen in de milieucategorieën 2 of 3 van de bij deze voorschriften als bijlage opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten;

d. ter plaatse van de aanduiding "III" op de kaart de uitoefening van industriële, ambachtelijke en groothandelsbedrijven die voorkomen in milieucategorie 3 van de bij deze voorschriften als bijlage opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten;

(…)

i. de uitoefening van een steenfabriek alsmede de onder c bedoelde bedrijven ter plaatse van de aanduiding "steenfabriek" op de kaart.

Ingevolge het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onder d, bedraagt de maximale oppervlakte van een bouwperceel 5000 m². Een en ander geldt niet voor de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "steenfabriek".

5.5. Uit de stukken blijkt dat vanaf de jaren twintig uit de vorige eeuw tot 2008 een steenfabriek was gevestigd op een perceel van ruim 62000 m² ter plaatse van de in het vorige plan opgenomen aanduidingen "II-III" en "steenfabriek". In het voorliggende plan is dit bedrijfsperceel opgesplitst in vier percelen ten behoeve van bedrijven die zich in 2009 op het bedrijventerrein hebben gevestigd. Voorheen waren enkele van deze bedrijven op andere locaties in de gemeente gevestigd. De activiteiten van de in het plan voorziene bedrijven vallen in milieucategorie 3.1 of 3.2, met uitzondering van de puinbreekactiviteiten, die vallen in milieucategorie 4.

5.6. Het plandeel voorziet in vier bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijventerrein" die elk afzonderlijk groter zijn dan 5000 m². Dit is in strijd met het verbod in artikel 3.8, eerste lid, van de verordening, tenzij de bestemming is verwezenlijkt als bedoeld in het tweede lid. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze uitzondering zich in dit geval voordoet. Immers het vorige plan "De Mierbeek" voorzag reeds in een bedrijfsbestemming voor het perceel waarop de steenfabriek was gevestigd. Dat de in artikel 4, vierde lid, van het vorige bestemmingsplan maximaal toegelaten oppervlakte van 5000 m² niet is gerealiseerd, doet hier niet aan af, reeds omdat deze oppervlaktebeperking niet gold voor de gronden van de steenfabriek waaraan een bedrijfsbestemming van ruim 62000 m² was toegekend. Dat voorts het vorige bestemmingsplan, in tegenstelling tot het voorliggende plan, geen puinbreekactiviteiten toelaat, staat evenmin aan het oordeel van de Afdeling in de weg. In de tekst van artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de verordening, noch in de toelichting op dit artikel is een aanknopingspunt te vinden voor het standpunt van [appellant] dat bij de beoordeling van de vraag of de bestemming is verwezenlijkt, als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, ook de bij de bedrijfsbestemming toegelaten milieucategorie in de beschouwing moet worden betrokken.

Nu, gelet op het voorgaande, de uitzondering van artikel 3.8, tweede lid, onder a, van de verordening van toepassing is, is het plandeel niet in strijd met het eerste lid van dit artikel. In verband hiermee behoeft de beroepsgrond van [appellant] dat niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht in artikel 3.8, derde en vierde lid, van de verordening geen bespreking.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat het akoestische onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege de voorgenomen bedrijfsactiviteiten op het terrein van [partij A] dat aan het plan ten grondslag is gelegd, ondeugdelijk is. Hiertoe voert hij aan dat in het onderzoek is uitgegaan van een vaste locatie van een puinbreker, terwijl het breken van puin binnen het gehele vlak met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij" is toegelaten. [appellant] vreest dat het plaatsen van de puinbreker op een locatie binnen dit vlak zal leiden tot een hogere geluidsbelasting op zijn woning. In dit verband wijst [appellant] erop dat de locatie van de puinbreker waar in het akoestische onderzoek vanuit is gegaan, zich buiten dit vlak bevindt. Verder is ten onrechte rekening gehouden met de afschermende werking van tijdelijke kantoorunits en is volgens hem onduidelijk of bij de berekening van de geluidsbelasting is uitgegaan van de hoogte van het maaiveld van zijn woning of van het terrein waarop de puinbreker is voorzien, dat 75 cm lager ligt. Hierbij merkt [appellant] op dat in het akoestische onderzoek twee verschillende locaties voor zijn woning zijn opgenomen. Voorts is volgens [appellant] de locatie van de puinbreekinstallatie in het luchtkwaliteits-onderzoek onjuist.

6.1. De raad stelt dat het akoestische onderzoek door een externe deskundige is verricht. Bij het uitvoeren van dit onderzoek is uitgegaan van een gesloten bedrijfspand. Ter plaatse van de gronden waar [partij A] is gevestigd zullen veel maatregelen getroffen worden om de geluidemissie te beperken. Een vaste locatie op het noordoostelijk deel van het terrein leidt tot de laagste geluidemissie bij de omliggende woningen. Om overlast te voorkomen is in het plan een vlak aangeduid waarbinnen de puinbreker mag worden geplaatst om puin te breken. Voorts stelt de raad dat er geen reden is om te twijfelen aan de uitkomst van de rekenmodellen.

6.2. Aan de gronden waar [partij A] is gevestigd, is de bestemming "Bedrijventerrein" en aan een gedeelte hiervan de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.31, van de planregels wordt onder puinbreker verstaan een installatie ten behoeve van het breken van puin.

In overweging 5.3 zijn de doeleinden van deze bestemming en aanduiding reeds aangegeven.

6.3. Ten behoeve van het plan heeft SPA Advies akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting vanwege de voorgenomen bedrijfsactiviteiten op het terrein van [partij A]. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "[partij A] in Esbeek, Aanpassing akoestisch onderzoek" van 28 februari 2012. In het onderzoek is onder meer de geluidsbelasting vanwege het breken van puin op het terrein berekend ter plaatse van nabijgelegen woningen. Daarbij is volgens het onderzoek uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan en van de specifieke bedrijfssituatie op het terrein van dit bedrijf, waarbij de geluidbron van de puinbreker, gelet op de in het akoestische rapport vermelde coördinaten, is gesitueerd op het noordoostelijke deel van het terrein van dit bedrijf.

6.4. De Afdeling stelt vast dat het vlak met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij", waar de puinbreker is voorzien, een aanzienlijke omvang heeft van ongeveer 75 bij 100 m en dat de locatie van de puinbreker in het akoestische onderzoek, gelet op de coördinaten die hierin worden genoemd, buiten het vlak met deze aanduiding valt. Het standpunt van de raad dat de gekozen situering van de geluidbron van de puinbreker vanuit akoestisch oogpunt de meest gunstige situering is ten opzichte van de woning van [appellant], ziet eraan voorbij dat het plan het toelaat dat de puinbreker veel dichter bij de woningen aan de Esbeekseweg kan worden gebruikt en dat het plan zich ertegen verzet dat de puinbreker wordt gebruikt op de locatie waarvan in het akoestische onderzoek is uitgegaan. Verder blijkt uit het rapport niet of hierin bij de berekening van de geluidsbelasting is uitgegaan van het maaiveld ter plaatse van de positie van de puinbreker of van het maaiveld ter plaatse van de woning van [appellant], dat 75 cm hoger ligt.

Gelet op het voorgaande is het akoestische onderzoek dat in het kader van de voorbereiding van het plan is verricht, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

6.5. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten en acht hierbij het volgende van belang.

6.5.1. SPA Advies heeft naar aanleiding van het beroep een aanvullend akoestisch onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "[partij A] in Esbeek, Akoestisch onderzoek" van 10 juli 2013. Blijkens figuur 2.1.0 van dit rapport is de geluidsbelasting vanwege de puinbreker op vijf verschillende locaties doorgerekend. Deze vijf locaties vallen binnen het vlak met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij" op de verbeelding. Verder is er vanuit gegaan dat de mobiele puinbreekinstallatie op maaiveldniveau wordt geplaatst en dat het breken van puin plaatsvindt op een hoogte van 2 m. Conclusie van dit aanvullende onderzoek is dat de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de representatieve bedrijfssituatie bij een maximale invulling van de mogelijkheden van het plan en in de bijzondere bedrijfssituatie voldoen aan de toetsingswaarden. De maximale geluidniveaus voldoen aan de grenswaarden 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode uit de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening". Wat betreft de indirecte hinder wordt ruim voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

6.5.2. Over dit aanvullende akoestische onderzoek betoogt [appellant] dat hieraan nog steeds gebreken kleven. Hij betoogt dat de vijf onderzochte locaties niet representatief zijn, omdat twee van de gekozen locaties direct achter de hoge keerwanden liggen, waardoor de berekening van de geluidsbelasting op zijn woning lager uitvalt dan indien voor een locatie zou zijn gekozen die verder is verwijderd van deze wanden. Verder betoogt [appellant] dat in het onderzoek is uitgegaan van een beperking van de snelheid van het verkeer tot maximaal 15 km per uur, maar dat deze beperking voor meer geluidoverlast zorgt dan in het geval geen beperking geldt. Voorts is volgens [appellant] in het onderzoek rekening gehouden met een geluidafschermende werking van de kantoorunits op het terrein van [partij B], doch deze units zijn slechts een tijdelijke voorziening.

6.5.3. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vijf locaties, waarvan de geluidsbelasting vanwege de puinbreker is berekend, niet representatief zijn voor de geluidsbelasting op zijn woning. Van de vijf locaties liggen er vier in iedere hoek van het vlak met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij" en een locatie ligt in het midden van dit vlak. De gekozen locaties geven naar het oordeel van de Afdeling een representatief beeld van de maximale mogelijkheden van het plan. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat een snelheidsbeperking voor het verkeer voor meer geluidoverlast zorgt dan aanvaardbaar is.

Verder blijkt uit de stukken dat de in het plan voorziene keerwanden, waarvan in de onderzoeken is uitgegaan en die maximaal 10 m hoog mogen zijn, een belangrijke geluidwerende functie hebben, waardoor de door [appellant] bedoelde tijdelijke kantoorunits uit een oogpunt van het voorkomen van geluidoverlast nauwelijks nog van betekenis zijn. Voorts komt de positie van de woning van [appellant] in bijlage 3.1 van het aanvullende akoestische rapport weliswaar niet geheel overeen met die in bijlage 6 van dit rapport, doch het verschil is zo gering dat dit geen invloed kan hebben op de resultaten van de berekeningen in de rekenmodellen.

6.5.4. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er aan het aanvullende akoestische onderzoek zodanige gebreken kleven dat dit het besluit van de raad waarbij het plandeel is vastgesteld, niet kan dragen. De Afdeling ziet dan ook aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in zoverre in stand te laten.

6.6. Ten behoeve van het plan heeft SPA Advies luchtkwaliteitsonderzoek verricht naar de emissie en verspreiding van zwevende deeltjes en stikstofdioxide. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Bedrijventerrein Mierbeek, Luchtkwaliteitsonderzoek" van 26 april 2011. Hieruit blijkt dat na realisering van het plan wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de luchtkwaliteit. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er aan dit luchtkwaliteitsonderzoek zodanige gebreken kleven dat de raad niet van dit onderzoek heeft mogen uitgaan. Het betoog faalt in zoverre.

7. [appellant] betoogt verder dat ten onrechte de landschappelijke inpassing van het voorziene bedrijventerrein niet in het plan is gewaarborgd. In het stadium voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft de raad gesteld dat een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk is. Bovendien hebben de initiatiefnemers toegezegd hieraan mee te werken. Volgens [appellant] voorziet het bestemmingsplan "De Mierbeek" wel in een landschappelijke inpassing.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "De Mierbeek" weliswaar gedeeltelijk voorziet in de aanleg en instandhouding van een groenvoorziening, doch niet ter hoogte van het perceel waarop voorheen de steenfabriek was gevestigd. De raad acht het, gelet hierop, niet noodzakelijk om in het plan aanvullende eisen te stellen aan een landschappelijke inpassing van dit terrein. Ook voor het overige is er geen ruimtelijke noodzaak tot het stellen van eisen aan een landschappelijke inpassing.

7.2. De Afdeling stelt vast dat het plan, gelet op artikel 3, lid 3.1, onder n, van de planregels, de aanleg van groenvoorzieningen binnen de bestemming "Bedrijventerrein" mogelijk maakt. Het plan heeft betrekking op het terrein van de voormalige steenfabriek, dat een onderdeel is van het bedrijventerrein dat in het bestemmingsplan "De Mierbeek" is voorzien. Dat plan voorziet in een bestemming "Groenvoorzieningen" rond het bedrijventerrein De Mierbeek, behoudens dat dat plan ter hoogte van het terrein van de steenfabriek de aanleg van groenvoorzieningen binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" mogelijk maakte. Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het in ruimtelijk opzicht niet noodzakelijk is de aanleg van een groenvoorziening ter hoogte van het terrein van de voormalige steenfabriek als een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen. Overigens is gebleken dat de initiatiefnemers van het plan naar aanleiding van overleg met [appellant] zich bereid hebben verklaard mee te werken aan het aanleggen van bedoelde groenvoorziening om het plangebied aan de zijde van de Esbeekseweg landschappelijk af te schermen. Het betoog faalt.

8. Voor zover [appellant] opkomt tegen de ontsluiting van het voorziene bedrijventerrein via de Esbeekseweg, stelt de Afdeling vast dat het westelijke deel van dit bedrijventerrein zal worden ontsloten via de Esbeekseweg, doch dat het oostelijke deel van het terrein zal worden ontsloten via de Notelstraat. De Esbeekseweg is opgenomen in het plangebied van het bestemmingsplan "De Mierbeek" en het voorliggende plan heeft hierop geen betrekking. Gelet op het voorgaande, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat ontsluiting van genoemd gedeelte van het voorziene bedrijventerrein via de Esbeekseweg uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar zou zijn. Het betoog faalt.

9. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is hierop ingegaan. [appellant] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

10. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Hilvarenbeek van 27 september 2012, waarbij het bestemmingsplan "Esbeekseweg ongenummerd (naast 12) en 21" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbrekerij";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dit is vernietigd, in stand blijven;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Hilvarenbeek tot vergoeding van de bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Hilvarenbeek aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kooijman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

177-774.