Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2352

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201211447/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:3783, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] tot het nemen van een verkeersmaatregel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201211447/1/A3.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Baarle-Nassau,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 oktober 2012 in zaak nr. 11/4824 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] tot het nemen van een verkeersmaatregel afgewezen.

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschappen Albert Heijn B.V., Hinke Fongers Beheer B.V. en Valk Vastgoed VI B.V., die met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid zijn gesteld als partij aan het geding deel te nemen, hebben een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Oord, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en J.M.H.J. van Meurs, verkeersdeskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.H. Keijsers en J.M. Joosen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Albert Heijn B.V., Hinke Fongers Beheer B.V. en Valk Vastgoed VI B.V., vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, als belanghebbenden gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daarbij een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Babw) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2. [appellant] exploiteert sinds 2006 een damesmodewinkel in het pand aan de [locatie A] te Baarle-Nassau. Tussen dat pand en het pand aan de Stationsstraat 26 ligt een strook die wordt gebruikt door auto’s om te parkeren op het achtergelegen parkeerterrein, door fietsers en voetgangers en door vrachtwagens om de supermarkt in het pand aan de Kerkstraat 8 te bevoorraden. De vrachtwagens, die achteruit de straat in moeten steken, hebben in het verleden meermalen schade aan eigendommen van [appellant] veroorzaakt.

[appellant] heeft het college verzocht om een verkeersmaatregel te treffen omwille van de verkeersveiligheid en om de doorgang voor hulpdiensten te waarborgen en schade aan het pand waarin hij zijn winkel exploiteert te voorkomen.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een verkeersbesluit te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat weliswaar niet in geschil is dat de huidige situatie ter hoogte van de strook niet optimaal is en dat voldoende aannemelijk is dat het op zichzelf mogelijk is om het pand aan de Kerkstraat 8 op een andere wijze te bevoorraden, maar dat uit de door [appellant] en het college ingezonden rapporten van verkeersdeskundigen moet worden afgeleid dat elke wijze van bevoorrading van het pand aan de Kerkstraat 8 risico’s voor de veiligheid van personen met zich brengt. Volgens de rechtbank valt niet vol te houden dat er één alternatieve oplossing is die aantoonbare en evidente voordelen heeft ten opzichte van de huidige situatie.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren een verkeersbesluit te nemen. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een alternatieve oplossing aantoonbare en evidente voordelen moet hebben ten opzichte van de huidige situatie. Voldoende is volgens [appellant] als er voor één partij een evident voordeel optreedt en voor een andere partij geen nadeel. Voor de door hem voorgestane alternatieve oplossing is nauwelijks een herinrichting van de openbare ruimte vereist, hetgeen ook volgt uit het door hem overgelegde rapport van verkeersdeskundige Van Meurs. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens [appellant] overwogen dat de door hem voorgestane oplossing aanzienlijke kosten met zich brengt. Dat standpunt heeft het college immers niet nader gemotiveerd. Voorts is volgens [appellant] onduidelijk op basis waarvan de rechtbank overweegt dat meermalen, maar niet frequent, schade aan personen en goederen is veroorzaakt door vrachtwagens. Evenmin duidelijk is de overweging van de rechtbank dat de verkeerssituatie ter plaatse van de in de uitspraak bedoelde strook kan worden verbeterd met relatief eenvoudige en goedkope maatregelen. De rechtbank heeft deze maatregelen niet nader toegelicht, aldus [appellant].

4.1. Bij het nemen van een verkeersbesluit komt aan het college beoordelingsruimte toe bij de uitleg van het begrip 'veiligheid op de weg'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormeld begrip heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

4.2. Niet in geschil is dat de huidige verkeerssituatie ter hoogte van de strook niet optimaal is en risico’s met zich brengt voor de veiligheid van personen. Voorts is aannemelijk dat het op zichzelf mogelijk is om het pand aan de Kerkstraat 8 op een andere wijze te bevoorraden.

Uit het rapport van Van Meurs van 7 oktober 2011 volgt dat de door [appellant] voorgestane alternatieve oplossing om de supermarkt aan de Kerkstraat 8 te bevoorraden bestaat uit het verplaatsen van de laad- en loshaven van de supermarkt naar het daarbij behorende parkeerterrein aan de Kerkstraat. Uit dat rapport volgt verder dat er weliswaar voordelen aan die oplossing zijn verbonden, maar dat de alternatieve laad- en losplaats evenals de huidige situatie risico’s met zich brengt voor de veiligheid van personen.

Uit het door het college overgelegde rapport van AGEL adviseurs van 6 april 2012 volgt dat een verplaatsing van de laad- en loshaven naar het parkeerterrein aan de Kerkstraat niet zal bijdragen aan een verkeersveilige situatie. Allereerst dient volgens dat rapport een verbreding van de Kerkstraat naar minimaal 5,50 meter te worden gerealiseerd. Voorts dient de Kerkstraat opnieuw te worden ingericht, zodat ter hoogte van nummer 6 en 14 tweerichtingsverkeer mogelijk wordt. Hierdoor zal een aantal langsparkeervakken aan de Kerkstraat komen te vervallen. Verder volgt uit dat rapport dat de chauffeur bij het achteruit indraaien van de vrachtwagen op het parkeerterrein eerst achteruit door de Kerkstraat moet rijden, hetgeen gepaard gaat met een minimaal tot slecht zicht van de chauffeur op de aanwezige fietsers en voetgangers in de Kerkstraat en het parkeerterrein. Dit kan tot verkeersonveilige situaties leiden. Doordat parkeervakken moeten worden verschoven in oostelijke richting om een bredere toegangsweg voor de vrachtwagen te verkrijgen vervallen negen langsparkeervakken in de Kerkstraat en twee parkeervakken op het parkeerterrein. Indien de vrachtwagen vooruit het parkeerterrein opdraait, hoeft de chauffeur niet achteruit te rijden op de Kerkstraat, maar slechts op het parkeerterrein om de laad- en loshaven te bereiken. Een groot nadeel daarbij is volgens het rapport dat de vrachtwagen voor de in- en uitgang van de supermarkt moet manoeuvreren, hetgeen een verkeersonveilige situatie voor het in- en uitlopend winkelend publiek zal opleveren. Bij die alternatieve oplossing vervallen zeven langsparkeervakken in de Kerkstraat en acht parkeervakken op het parkeerterrein.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren het gevraagde verkeersbesluit te nemen. De rechtbank heeft gelet op voormelde rapporten terecht overwogen dat daaruit kan worden afgeleid dat elke wijze van bevoorrading van het pand aan de Kerkstraat 8 risico’s voor de veiligheid van personen met zich brengt. Gelet op de terughoudende toets die de rechter bij de beoordeling van een verkeersbesluit dient toe te passen, is, anders dan [appellant] betoogt, de omstandigheid dat bij een alternatieve oplossing een voordeel voor de ene partij zou optreden en voor de andere partij geen evident nadeel, onvoldoende om tot een andersluidend oordeel te komen. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de alternatieve oplossing aanzienlijke kosten met zich brengt, overweegt de Afdeling dat de rechtbank heeft overwogen dat de door hem voorgestane oplossing de nodige kosten met zich brengt. Voorts kan uit het rapport van AGEL adviseurs worden afgeleid dat het verplaatsen van de laad- en loshaven naar de Kerkstraat een herinrichting van die straat vergt. Het standpunt van het college dat die herinrichting de nodige kosten met zich brengt, komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Daargelaten of de alternatieve oplossing van [appellant] enig voordeel met zich brengt, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de daaraan verbonden kosten niet opwegen tegen het geringe voordeel dat daarmee zou worden verkregen. Dit geldt temeer nu voor de herinrichting van de Kerkstraat de medewerking van de gemeente Baarle-Hertog in België, is vereist, omdat een gedeelte van de straat in die gemeente is gelegen, en die gemeente te kennen heeft gegeven bezwaren te hebben tegen de voorgestane herinrichting. Dat onduidelijk is waarop de overweging van de rechtbank dat meermalen maar niet frequent schade aan personen of goederen is veroorzaakt is gebaseerd, leidt evenmin tot een andersluidend oordeel, nu de huidige situatie - zoals ter zitting onweersproken is gesteld - nooit tot letselschade heeft geleid, maar slechts tot enige schade aan eigendommen van [appellant] ter plaatse. Voorts vindt het in- en uitparkeren ten behoeve van de bevoorrading van de in het pand aan de Kerkstraat 8 gevestigde supermarkt thans plaats onder begeleiding teneinde te voorkomen, althans zoveel mogelijk te beperken, dat daarbij de verkeersveiligheid in het gedrang komt en schade aan eigendommen van derden ontstaat.

Weliswaar betoogt [appellant] terecht dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd welke goedkope of eenvoudige maatregelen tot een verbetering van de verkeerssituatie ter plaatse van de in de aangevallen uitspraak bedoelde strook leiden, maar dit kan gelet op het vorenoverwogene niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

97-721.