Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2351

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201211078/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:30059, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201211078/1/V3.

Datum uitspraak: 3 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank

's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 20 november 2012 in zaken nrs. 12/32466 en 12/32467 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 november 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatsecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij het standpunt dat het relaas van de vreemdeling de vereiste positieve overtuigingskracht mist omdat haar verklaringen op enkele onderdelen vaag of bevreemdend zouden zijn, niet kan volgen. Aldus heeft de voorzieningenrechter volgens de staatssecretaris miskend dat in beroep niet ter beoordeling voorlag of het relaas volgens de voorzieningenrechter al dan geen positieve overtuigingskracht heeft, maar of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist. Nu de vreemdeling geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen waarom op 13 augustus 2012 juist in haar huis door de militairen een inval is gedaan en zij zich slechts in zeer algemene termen heeft uitgelaten over de toestand en de gestelde voorvallen in de gevangenis, alsmede over de ontsnapping uit de gevangenis, heeft de voorzieningenrechter die vraag ten onrechte niet bevestigend beantwoord, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de minister aannemelijk te maken.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 12 maart 2013 in zaak nr. 201205535/1/V4) gaat het bij de beoordeling van het asielrelaas meestal niet om de vraag of en in hoeverre de vreemdeling heeft bewezen dat het in zijn asielrelaas gestelde daadwerkelijk is voorgevallen. Een asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijs te staven. Om hem in zijn bewijspositie tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van zijn aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 in verbinding gelezen met artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde beleid dat de verklaringen van een asielzoeker in beginsel geloofwaardig worden geacht. Is echter sprake van een omstandigheid genoemd in voornoemd artikel 31, tweede lid, dan zal aan die voorwaarden niet zijn voldaan en zal, gelet op bedoeld beleid, van de verklaringen van de asielzoeker positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om het asielrelaas geloofwaardig te achten.

2.3. Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een asielzoeker in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering in het voornemen en het besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het door hem ingenomen standpunt kan stellen.

2.4. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 12 oktober 2012 en het daarin ingelaste voornemen van 10 oktober 2012 op het standpunt gesteld dat geloofwaardig wordt geacht dat de vreemdeling, zoals zij heeft verklaard, aanwezig is geweest bij de demonstratie van 28 september 2009 en dat zij tijdens deze demonstratie gewond is geraakt en is verkracht. Voorts is geloofwaardig geacht dat de vreemdeling tot de Fula bevolkingsgroep behoort en dat zij meerdere bijeenkomsten en demonstraties heeft bezocht.

De vreemdeling wordt echter niet gevolgd in de door haar afgelegde verklaringen dat zij op 13 augustus 2012 door militairen is opgehaald en vervolgens in de gevangenis is gezet en is verkracht, waarna zij met behulp van een militair genaamd [naam] heeft weten te ontsnappen uit de gevangenis. Redengevend daarvoor is volgens de staatssecretaris dat de vreemdeling niet heeft weten te verklaren door hoeveel militairen zij is opgehaald, hoe deze militairen haar kenden, of waarom de echtgenoot van de vreemdeling door deze militairen werd gezocht. Ook over haar gevangenschap heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris vage verklaringen afgelegd, nu zij daarover slechts heeft verklaard dat er veel Fula mensen in de gevangenis zaten, maar dat zij niet weet waarom zij daar waren. Met betrekking tot de ontsnapping uit de gevangenis tot slot heeft de vreemdeling slechts kunnen verklaren dat zij door een militair is gered, maar dat zij weet niet hoe deze militair haar heeft gevonden, wat zijn militaire rang is en waar hij werkzaam was. Ook valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom een militair zijn baan op het spel zou zetten, hij de vreemdeling tijdelijk bij hem in huis zou laten wonen en hij haar vertrek uit Guinee zou regelen, aldus de staatssecretaris.

2.5. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat hij het standpunt dat het asielrelaas van de vreemdeling een positieve overtuigingskracht mist omdat haar verklaringen op enkele onderdelen vaag of bevreemdend zouden zijn, niet kan volgen. Aan dat oordeel heeft hij ten grondslag gelegd dat de vreemdeling relatief gedetailleerd heeft verklaard over de arrestatie, gevangenschap en ontsnapping. Voorts acht de voorzieningenrechter van belang dat alle verklaringen van de vreemdeling over de gebeurtenissen voorafgaand aan 13 augustus 2012 geloofwaardig zijn bevonden en dat eveneens onbestreden is dat de vreemdeling van Fula afkomst is en dat zij daardoor in Guinee eerder slachtoffer is geweest van etnische spanningen en discriminatie, alsmede dat de vreemdeling slachtoffer is geweest van discriminatie, mishandeling en seksueel geweld. Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden moeten de verklaringen van de vreemdeling over de gebeurtenissen vanaf 13 augustus 2012 worden bezien, aldus de voorzieningenrechter. Rekening houdend met de geloofwaardig bevonden feiten en omstandigheden valt volgens hem dan ook niet in te zien waarom de door de vreemdeling over de arrestatie, gevangenschap en ontsnapping afgelegde verklaringen vaag of bevreemdend zouden zijn.

2.6. De staatssecretaris klaagt terecht dat de voorzieningenrechter zich aldus ten onrechte niet heeft beperkt tot de toets of de door de staatssecretaris gegeven motivering diens standpunt kan dragen, maar daarvoor zijn eigen oordeel in de plaats heeft gesteld. Gelet op het hiervoor onder 2.1. tot en met 2.3. weergegeven toetsingskader, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich met de hiervoor onder 2.4. weergegeven motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 oktober 2012 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 20 november 2012 in zaak nr. 12/32466;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Wijker-Dekker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013

562.