Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2350

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201211236/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 17 maart 2011 en 1 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/40

Uitspraak

201211236/1/V4.

Datum uitspraak: 3 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 5 november 2012 in zaken nrs. 11/12593 en 11/29615 in de gedingen tussen:

[vreemdeling A] (hierna: de man) en [vreemdeling B] (hierna: de vrouw), mede voor hun minderjarige kinderen (hierna tezamen: de vreemdelingen)

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 maart 2011 en 1 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 12 juli 2012 heeft de rechtbank naar aanleiding van het tegen het besluit van 17 maart 2011 door de man ingestelde beroep de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen, iedere verdere beslissing aangehouden en heeft zij de beslissing in het tegen het besluit van 1 september 2011 door de vrouw ingestelde beroep aangehouden totdat gezamenlijk uitspraak kan worden gedaan in voormelde beroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 november 2012 heeft de rechtbank de door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 17 maart 2011 (lees: de besluiten van 17 maart 2011 en 1 september 2011) vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in grief 1, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt, dat in het geval van de man sprake is van "knowing participation" en op hem daarom artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967, (hierna: het Vluchtelingenverdrag) van toepassing is, onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.1. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, moet de staatssecretaris aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt dient deze vreemdeling, wil hij voorkomen dat op hem dit artikel van toepassing zal worden verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen.

Teneinde te kunnen bepalen of een vreemdeling individueel voor artikel 1(F)-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van hem kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven ("knowing participation") én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen ("personal participation"). Indien hiervan sprake is kan aan een vreemdeling artikel 1(F) worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de "personal and knowing participation-test" (artikel 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome).

Volgens dit beleid is onder meer sprake van "knowing participation" wanneer een vreemdeling werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, welke volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

2.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 17 maart 2011, in samenhang gelezen met het daarin ingelaste voornemen daartoe, op het standpunt gesteld dat de man in verband moet worden gebracht met het faciliteren van marteling en onrechtmatige detentie in een internationaal gewapend conflict.

2.3. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat vaststaat dat de man als informant werkzaam is geweest voor de Mukhabarat Al Amen, de inlichtingen- en veiligheidsdienst van het South Lebanon Army (hierna: het SLA), dat er tijdens deze periode minstens één persoon is gearresteerd op grond van door de man verstrekte informatie en dat de staatssecretaris hierom op goede gronden kon aannemen dat in het geval van de man sprake is van "personal participation".

2.4. Niet in geschil is dat de man werkzaam is geweest voor een organisatie die in de periode dat hij daar werkzaam was op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd. Voorts is niet in geschil dat, in de periode dat de man daar werkzaam was, voor die misdrijven aandacht bestond in de pers en hierover vrij toegankelijke rapporten van Human Rights Watch, Amnesty International en de Verenigde Naties zijn verschenen. De staatssecretaris voert derhalve terecht aan dat hij, gelet op het hiervoor in 2.1. weergegeven beleid, ervan mag uitgaan dat in het geval van de man sprake is van "knowing participation" en dat het aan de man is om aan te tonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering, waardoor er desondanks vanuit moet worden gegaan dat hij niet op de hoogte was van de door het SLA begane misdrijven. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de man hierin niet is geslaagd. Daartoe heeft hij terecht redengevend geacht dat niet is gebleken dat voormelde rapporten voor de man niet toegankelijk waren. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de man laag is opgeleid, in een gebied woonde waar weinig contact met de buitenwereld mogelijk was en hij een ondergeschikte functie had bij het SLA, niet tot het oordeel leidt dat hij heeft aangetoond dat in zijn geval sprake is van een significante uitzondering. De staatssecretaris heeft in dit verband terecht de inhoud en de duur van de werkzaamheden van de man en de contacten die hij uit hoofde daarvan heeft onderhouden van belang geacht. De man heeft immers verklaard dat hij vier jaar heeft gewerkt voor het SLA en dat hij heeft gewerkt voor een neef van zijn vader, van wie bekend is dat hij actief heeft deelgenomen aan misdaden tegen de menselijkheid. Voorts blijkt uit de verklaringen van de man dat hij ervan op de hoogte was dat een deel van de arrestanten naar de Khiam-gevangenis werd getransporteerd en dat zij daar lange tijd werden vastgehouden. De rechtbank heeft gelet op het bovenstaande ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat in het geval van de man sprake is van "knowing participation" onvoldoende heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

3. In grief 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij door te verwijzen naar het voornemen van 25 november 2010 dat is genomen ten aanzien van de man, onvoldoende heeft gemotiveerd dat het beroep van de vrouw op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet slaagt, nu hij in voormeld voornemen alleen is ingegaan op de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van de man en dat zulks te meer klemt nu ten aanzien van de vrouw sprake is van eigen asielmotieven die in het voornemen niet aan de orde worden gesteld. De staatssecretaris voert daartoe aan dat hij in voormeld voornemen ook heeft beoordeeld of de man bij terugkeer naar zijn land van herkomst te vrezen heeft voor een schending van artikel 3 van het EVRM, zodat hij wat dat betreft ten aanzien van de vrouw kon volstaan met een verwijzing naar dit voornemen.

3.1. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het voornemen dat is genomen ten aanzien van de man alleen is ingegaan op de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. In dit voornemen is tevens beoordeeld of de man bij terugkeer naar zijn land van herkomst heeft te vrezen voor een schending van artikel 3 van het EVRM. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, nu hij in zijn land van herkomst reeds is veroordeeld voor zijn werkzaamheden binnen het leger van het SLA en die straf heeft uitgezeten, op dit moment nog in de negatieve belangstelling staat van de Libanese autoriteiten of groeperingen zoals Hezbollah. De staatssecretaris heeft zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verklaringen van de man over de problemen die zijn familie vanwege zijn werkzaamheden na zijn straf nog zou hebben ondervonden niet geloofwaardig zijn. Uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Libanon van februari 2002, waarnaar de staatssecretaris verwijst, volgt immers dat Hezbollah SLA-leden overdraagt aan de Libanese autoriteiten en niet zelf tot vervolging over gaat. Voorts blijkt uit deze informatie dat eind 2002 het merendeel van de rechtszaken tegen voormalig SLA-leden was afgerond, zodat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaring van de man dat zij in 2003-2004 massaal werden opgepakt evenmin geloofwaardig is. Verder heeft de staatssecretaris zich gelet op deze informatie terecht op het standpunt gesteld dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat indien er al vanuit moet worden gegaan dat de Libanese autoriteiten naar hem op zoek zijn, hij daardoor bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit voormelde informatie blijkt dat de Libanese autoriteiten en de United Nations Interim Force in Lebanon voormalige SLA-leden begeleiden en helpen bij de terugkeer naar hun woonplaats. Ook uit het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees van 15 november 2006, het rapport van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 21 oktober 2009 en het rapport van Amnesty International van 28 mei 2010, waarop de man zich beroept, volgt niet dat hij, hoewel hij reeds is veroordeeld en zijn straf heeft uitgezeten, bij terugkeer vanwege zijn werkzaamheden voor het SLA te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop heeft de staatssecretaris, wat betreft het beroep van de vrouw op de problemen van de man terecht verwezen naar het voornemen dat ziet op de man. Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak onbestreden overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat van het asielrelaas van de vrouw geen positieve overtuigingskracht uitgaat en hieraan de conclusie heeft kunnen verbinden dat de vrouw niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook de eigen asielmotieven van de vrouw kunnen derhalve niet leiden tot het oordeel dat haar beroep op artikel 3 van het EVRM slaagt.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 17 maart 2011 en 1 september 2011 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van de bij de rechtbank bestreden besluiten waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

5. De beroepen zijn ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo, van 5 november 2012 in zaken nrs. 11/12593 en 11/29615;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Brock

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013

603.