Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201210815/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9740, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 januari 2012 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van het oprichten van een bouw- en tuinmarkt, drive-in, buitenverkoop en parkeren op het perceel Einighauserweg 101 te Geleen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210815/1/A1.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Hornbach Bouwmarkt Nederland B.V., Hornbach Holding B.V. en Hornbach Real Estate Geleen B.V., alle gevestigd te Nieuwegein, (hierna tezamen in enkelvoud: Hornbach),

2. het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen,

3. de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3 A], gevestigd te Elsloo, en [appellante sub 3 B], gevestigd te Maastricht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 oktober 2012 in zaken nrs. 12/538 en 12/539 in het geding tussen:

[appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2012 heeft het college een projectbesluit genomen ten behoeve van het oprichten van een bouw- en tuinmarkt, drive-in, buitenverkoop en parkeren op het perceel Einighauserweg 101 te Geleen.

Bij brieven van 16 februari 2012 heeft het college aan onder meer Hornbach Bouwmarkt Nederland medegedeeld dat op 7 februari 2012 van rechtswege aan haar een bouwvergunning eerste fase is verleend voor het oprichten van een bouw- en tuinmarkt, drive-in, buitenverkoop en parkeren op het perceel.

Bij uitspraak van 10 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] Formido Lelieveld tegen het besluit van 10 januari 2012 en de van rechtswege verleende bouwvergunning ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat het college nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Hornbach, het college en [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] hoger beroep ingesteld.

Hornbach en [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluiten van 26 maart 2013 heeft het college opnieuw een projectbesluit genomen ten behoeve van het oprichten van een bouw- en tuinmarkt, drive-in, buitenverkoop en parkeren op het perceel en daarvoor opnieuw aan Hornbach Bouwmarkt Nederland bouwvergunning eerste fase verleend.

[appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] hebben hiertegen gronden ingediend.

De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nrs. 201210813/1/A1, 201210814/1/A1 en 201210818/1/A1 gevoegd ter zitting behandeld op 24 april 2013, waar Hornbach, vertegenwoordigd door mr. G.H.J. Heutink en A. Franken van Bloemendaal, beiden advocaat te Amsterdam, en drs. A.W.H. Erhardt, het college, vertegenwoordigd door R.P.A.M. Friesen, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, en [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B], beide vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hardy, advocaat te Maastricht, zijn verschenen. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat, nu de aangevallen uitspraak is bekendgemaakt vóór 1 januari 2013 deze moet worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dit gold vóór inwerkingtreding van deze wet.

2. Ter zitting is komen vast te staan dat het bouwplan ten behoeve waarvan het projectbesluit is genomen voorziet in een hoofdgebouw met overdekt tuincentrum van 12.402 m² brutovloeroppervlakte (hierna: bvo), een deels overkapte (378 m² bvo) en deels onoverdekte (1538m² bvo) drive-in, en een deels overkapte (840 m² bvo) en deels open (1996 m² bvo) buitenverkoop voor (in hoofdzaak) tuinassortiment. Daarmee komt het bouwplan op een totaal van 17.154 m² bvo.

Het bouwplan is voorzien op het bedrijventerrein Gardenz op een locatie waar in de bestaande situatie reeds een kleinere vestiging van Hornbach aanwezig is.

3. Hornbach en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) niet op het onderhavige geval van toepassing is.

3.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Chw, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van toepassing op de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

3.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het projectbesluit geen besluit is dat is vereist voor de verwezenlijking van de herstructurering van een woon- en werkgebied als bedoeld in artikel 3.1 van bijlage I bij de Chw.

De rechtbank heeft terecht, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 23 maart 2011 in zaak nr. 201008801/1/R3 en 2 mei 2012 in zaak nr. 201107894/1/A1 en 201107957/1/A1, overwogen dat categorie 3.1 van bijlage 1 van de Chw zich niet beperkt tot herstructurering van een gebied dat als zowel woon- als werkgebied dient te worden aangemerkt en dat de Chw van toepassing kan zijn in een geval waarin uitsluitend sprake is van planologische herstructurering van een bedrijventerrein. De rechtbank is vervolgens evenzeer terecht tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een planologische herstructurering van een bedrijventerrein, als bedoeld in categorie 3, onder 3.1 van bijlage 1 van de Chw. Daarbij is van belang dat de aanleiding van het project uitsluitend is gelegen in de gewenste uitbreiding van de bestaande vestiging van Hornbach op de onderhavige locatie. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat het projectbesluit is genomen ten behoeve van een planologische herstructurering van het bedrijventerrein Gardenz. De stelling van het college en Hornbach dat een bestemmingsplan in voorbereiding is en dat het projectbesluit en de infrastructurele aanpassingen aan het bedrijventerrein daarin worden opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu ook daaruit niet blijkt van andere concrete plannen dan het onderhavige project. Dat het college wenst mee te werken, omdat het verwacht dat het bouwplan een positief effect zal hebben op het bedrijventerrein Gardenz dat, naar niet in geschil is, te kampen heeft met leegstand en teruglopende bezoekersaantallen, en dat het bouwplan, naar Hornbach en het college stellen, fysiek zal worden geïntegreerd in het bedrijventerrein Gardenz door middel van onder meer nieuwe aansluitingen op de Mauritsweg, leidt, anders dan het college en Hornbach betogen, evenmin tot een ander oordeel. Het besluit van 10 januari 2012 heeft derhalve geen betrekking op de herstructurering van het bedrijventerrein en is derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, zodat afdeling 2 van de Chw niet van toepassing is.

Het betoog faalt.

4. Hornbach en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college [appellante sub 3 B] ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Daartoe voeren zij aan dat [appellante sub 3 B] een financiële holding is die geen rechtstreeks bij het besluit betrokken belang heeft.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen

4.2. Vast staat dat [appellante sub 3 B] eigenaresse is van het perceel dat naast het onderhavige perceel is gelegen. Bij de eigenaar van een buurperceel wordt in beginsel belanghebbendheid aangenomen, tenzij op voorhand van het tegendeel blijkt. Van dit tegendeel is niet gebleken. [appellante sub 3 B] heeft bovendien uiteengezet dat haar belangen rechtstreeks betrokken zijn gelet op haar plannen met haar perceel. De rechtbank heeft [appellante sub 3 B] Meersen Maastricht dan ook terecht, zij het op andere gronden, als belanghebbende aangemerkt.

Het betoog faalt.

5. Teneinde bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 3.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) een projectbesluit genomen.

6. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het derde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, is het eerste lid niet van toepassing, indien de in artikel 44, eerste lid, onderdeel c bedoelde situatie zich voordoet. In dat geval wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt in de situatie, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een projectbesluit. Daarbij beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag om een projectbesluit.

Ingevolge het vijfde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, is de vergunning van rechtswege verleend, indien burgemeester en wethouders niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning beslissen binnen de daarvoor in het eerste of vierde lid gestelde termijn, en, indien het derde lid van toepassing is, een projectbesluit is genomen. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Ingevolge het zesde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, worden de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een projectbesluit, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit aangemerkt.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Ingevolge het vierde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 3.11, eerste lid, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een projectbesluit afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder projectbesluit verstaan: besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft.

7. [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellante sub 3 A]) betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de van rechtswege verleende bouwvergunning reeds voor vernietiging in aanmerking komt, nu ten aanzien daarvan ten onrechte geen toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.

7.1. Hornbach heeft op 10 december 2009 een verzoek om het nemen van een projectbesluit en op 17 september 2010 een aanvraag om bouwvergunning ingediend. Ingevolge artikel 3.11, eerste lid, van de Wro is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een projectbesluit. Het college heeft het projectbesluit overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb voorbereid en bij besluit van 10 januari 2012 een projectbesluit ten behoeve van het bouwplan genomen.

Vast staat dat het college in strijd met artikel 46, vierde lid, van de Woningwet met betrekking tot de bouwaanvraag geen toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Vervolgens is van rechtswege een bouwvergunning verleend, nu niet binnen vier weken nadat het projectbesluit is genomen op de aanvraag om bouwvergunning is beslist. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de omstandigheid dat het college in strijd met artikel 46, vierde lid, van de Woningwet heeft gehandeld, reeds zou moeten leiden tot vernietiging van de van rechtswege verleende bouwvergunning. Voor zover [appellante sub 3 A] heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2008 in zaak nr. 200703114/1, wordt overwogen dat deze uitspraak geen betrekking heeft op besluiten die van rechtswege zijn verleend, zodat het beroep dat zij daarop doet, haar reeds daarom niet kan baten.

Het betoog faalt.

8. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het projectbesluit in strijd is met artikel 3.10 in samenhang bezien met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, omdat de in hoofdstuk 3 van het projectbesluit opgenomen algemene regels, te weten een anti-dubbeltelregel en algemene gebruiksregels, niet uitsluitend zouden zijn toegesneden op het onderhavige bouwplan. Hornbach en het college betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het projectbesluit, voor zover dit in strijd is met artikel artikel 3.10 in samenhang bezien met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 september 2010 in zaak nr. 201004647/1/H1) kan de bevoegdheid om een projectbesluit te nemen, gelet op artikel 3.10, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, slechts worden aangewend voor het verwezenlijken van een project. Een projectbesluit kan slechts voorzien in de behoefte om, vooruitlopend op de vaststelling van een bestemmingsplan, een concreet voornemen te verwezenlijken dat, gelet op artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro, wijzigingen aanbrengt in de fysieke leefomgeving.

8.2. Het projectbesluit is genomen naar aanleiding van de aanvraag van Hornbach, hetgeen blijkt uit de verwijzing naar deze aanvraag in het projectbesluit en de toelichting bij het projectbesluit. Door de verwijzing in het projectbesluit en de toelichting naar het onderhavige concrete bouwplan is voldoende duidelijk dat het projectbesluit samenhangt met dit bouwplan en dat de regels en de verbeelding daarop zijn toegesneden. De Afdeling begrijpt het projectbesluit aldus dat de bij het projectbesluit vastgestelde gebruiksregels en anti-dubbeltelregel uitsluitend betrekking hebben op het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend.

Uit het voorgaande volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat zou zijn beoogd naar buiten werkende, voor herhaalde toepassing geschikte regels te stellen ten behoeve van de verlening van bouwvergunningen voor toekomstige bouwplannen en andere uitvoeringsbesluiten. Derhalve bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het projectbesluit in strijd is met artikel 3.10 in samenhang bezien met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro.

Het betoog slaagt.

9. Hornbach en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het projectbesluit in strijd is met de in de Retailstructuurvisie neergelegde beleidsregel ten aanzien van het maximale winkelvloeroppervlak van Doe-Het-Zelf (hierna: DHZ) vestigingen. De rechtbank heeft volgens hen miskend dat deze beleidsregel buiten toepassing dient te worden gelaten, nu deze niet dient ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en niet ruimtelijk relevant is.

9.1. De raad heeft bij besluit van 28 februari 2008 ingestemd met de door adviesbureau Droogh Trommelen en Partners (hierna: DTNP) opgestelde Retailstructuurvisie van 16 oktober 2007, alsmede met de aanvulling daarop, te weten het rapport "Sittard-Geleen Hornbach Effecten van uitbreiding op de aanbodstructuur" van 21 januari 2008. Voorts heeft hij bij dit besluit ingestemd met de in het besluit opgenomen voorstellen voor de inrichting van de hoofdwinkelstructuur in de gemeente. De raad heeft voorts bij besluit van 16 juli 2009 ingestemd met het advies van DTNP van 27 mei 2009 "Detailhandel op Handelsterrein Bergerweg & Industriepark Noord", waarin voorstellen worden gedaan voor de invulling van de perifere detailhandel op de terreinen Handelsterrein Bergerweg, Industriepark Noord en Gardenz.

In de Retailstructuurvisie is onder meer vermeld:

"Om de huidige spreiding en diversiteit in bouwmarkten te behouden is de vestiging van een grootschalige bouwmarkt (> 5.000 m² wvo) niet gewenst".

In het besluit van de raad van 28 februari 2008 is onder 9. vermeld:

"In overeenstemming met het aanvullend onderzoek door DTNP inzake Hornbach te besluiten om alleen aanvragen voor vestigingen en/of uitbreiding van DHZ zaken op Gardenz in behandeling te nemen van winkels met een maximum DHZ winkelvloeroppervlak van 5.000 m² onder de voorwaarde dat aanvullend te verrichten distributieplanologisch onderzoek uitwijst dat er geen sprake is van ontwrichting van de aanbodstructuur."

In het besluit van de raad van 16 juli 2009 is onder 3. vermeld:

" (..) Industriepark Noord en Gardenz de twee aangewezen locaties voor Doe-het-zelf winkels zijn. Op beide locaties is voor wat betreft de branche Doe-het-zelf uitbreiding van het DHZ winkelvloeroppervlak mogelijk tot maximaal 5.000 m² winkelvloeroppervlak per vestiging onder de voorwaarde dat daarmee de spreiding van de Doe-het-zelf locaties niet in gevaar komt en er geen sprake is van duurzame ontwrichting.".

9.2. Niet in geschil is dat het onderhavige project in strijd is met de bij besluit van 28 februari 2008 onder 9. vastgestelde beleidsregel, aangevuld bij besluit van 16 juli 2009 onder 3., dat alleen aanvragen voor vestigingen en/of uitbreiding van DHZ zaken op Gardenz in behandeling worden genomen van winkels met een maximum DHZ winkelvloeroppervlak van 5.000 m².

In de Retailstructuurvisie is geconcludeerd dat de marktruimte kleiner is dan het reeds aanwezige aanbod en dat zowel de omvang als de spreiding van het aanbod DHZ geen aanleiding geeft voor uitbreiding of wijziging van de structuur. Voorts is geconcludeerd dat om de huidige spreiding en diversiteit in bouwmarkten te behouden de vestiging van een grootschalige bouwmarkt (> 5.000 m² wvo) niet gewenst is. In het aanvullende rapport "Sittard-Geleen Hornbach Effecten van uitbreiding op de aanbodstructuur" van 21 januari 2008 is opnieuw geconcludeerd dat er niet of nauwelijks economische uitbreidingsruimte is voor DHZ aanbod in de gemeente. Voorts is geconcludeerd dat bij toevoeging van 10.000 m² gevaar voor duurzame ontwrichting van de aanbodstructuur optreedt en dat de toevoeging van maximaal 5.000 m² ook effecten heeft op de omzet van de bestaande DHZ-winkels (naar schatting 15% minder omzet) en dit mogelijk leidt tot afname van het aantal DHZ-winkels, maar geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare afname van het aanwezige aanbod en variatie, zodat geen sprake is van duurzame ontwrichting. In het voorstel van het college aan de raad van 30 januari 2008 is aangesloten bij voormelde conclusies in de Retailstructuurvisie en het aanvullende rapport van 21 januari 2008. De raad heeft dit voorstel bij besluit van 28 februari 2008 overgenomen.

In het advies "Detailhandel op Handelsterrein Bergerweg en Industriepark Noord" van 27 mei 2009 is met betrekking tot de maximale oppervlakte opnieuw verwezen naar de Retailstructuurvisie en geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor uitbreiding of wijziging van de structuur. Voor een nieuwe bouwmarkt is distributieplanologisch onderzoek nodig waaruit blijkt dat de nieuwe bouwmarkt de aanbodstructuur (spreiding en diversiteit) niet duurzaam ontwricht. De vestiging van een nieuwe grootschalige bouwmarkt groter dan 5.000 m² is niet gewenst. In hoofdstuk 5 is vervolgens het geadviseerde beleidskader voor de gemeente uiteengezet waarin onder meer is geconcludeerd dat bouwmarkten tot 5.000 m² zijn toegestaan op Industriepark Noord en Gardenz en dat voor elk marktinitiatief voor een nieuwe bouwmarkt distributieplanologisch onderzoek nodig is waaruit blijkt dat de nieuwe bouwmarkt (tot 5.000 m² ) de aanbodstructuur niet duurzaam ontwricht. In het voorstel van het college aan de raad van 15 juni 2009 is aangesloten bij voormelde conclusies in het advies "Detailhandel op Handelsterrein Bergerweg en Industriepark Noord". De raad heeft dit voorstel bij besluit van 16 juli 2009 overgenomen.

9.3. De Wro strekt er niet toe bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd.

9.4. De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 september 2013 in zaak nr. 201208105/1/R2 overwogen dat zij aanleiding ziet om, anders dan in de uitspraak van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3 en de uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200901438/1/R3 voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau vanaf de datum van de uitspraak doorslaggevend te achten of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Dat betekent dat alleen een mogelijke ontwrichting ten aanzien van deze eerste levensbehoeften ruimtelijk relevant wordt geacht. De aantasting van het voorzieningenniveau van andere behoeften is op zichzelf geen reden om planologische medewerking aan een besluit te weigeren.

Een bouwmarkt draagt naar zijn aard niet bij aan de mogelijkheid te voorzien in de eerste levensbehoeften. Uit de aan de beleidsregel ten grondslag gelegde stukken kan echter worden opgemaakt dat aan de vaststelling van het maximale DHZ winkelvloeroppervlak van 5.000 m² het voorkomen van duurzame ontwrichting van de aanbodstructuur en, in dat licht, het behouden van de huidige spreiding en diversiteit in bouwmarkten ten grondslag ligt. Nu de beleidsregel berust op het motief om concurrentieverhoudingen te beschermen buiten de gevallen waarin dat motief wegens gevaar van een duurzame ontwrichting gerechtvaardigd kan zijn, strekt de beleidsregel niet ter bescherming van het belang van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de beleidsregel dan ook terecht, zij het op andere gronden, buiten toepassing gelaten.

Het betoog slaagt.

10. Hornbach en het college betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het een parkeernorm van 2,2 tot 2,7 parkeerplaatsen per 100 m² brutovloeroppervlak heeft gehanteerd.

10.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Sittard-Geleen, zoals dit luidde ten tijde van belang, moet bij een gebouw ten behoeve van het parkeren en het stallen van auto’s in de juiste mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge het tweede lid wordt de in het eerste lid genoemde "juiste mate" van ruimte bepaald met behulp van parkeernormen, waarbij het volgende van toepassing is:

a. indien in het vigerende bestemmingplan parkeernormen zijn opgenomen, dienen deze parkeernormen te worden toegepast;

b. indien in het vigerende bestemmingsplan geen parkeernormen zijn opgenomen, dienen de parkeernormen uit de gemeentelijke parkeernormennota te worden toegepast;

c. de te hanteren parkeernorm is de minimum-parkeernorm voor de betreffende functie en locatie;

d. de parkeernorm is flexibel toepasbaar tot een maximum, in die gevallen waarvoor een maximum parkeernorm is opgenomen;

Ingevolge het vijfde lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van:

a. het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, niet zijnde in de openbare ruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

b. het bepaalde in het tweede lid, indien het voldoen aan die bepaling door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, tot welke bijzondere omstandigheden in elk geval worden gerekend:

i. een te verwachten meer dan gemiddelde aantal gehandicapte gebruikers of bezoekers van het gebouw;

ii. een bestemming van het gebouw als parkeergarage, dan wel garagebedrijf.

10.2. Vast staat dat in het gemeentelijke nota "Parkeernormensystematiek; omschrijving ten behoeve van implementatie" (hierna: de Parkeernota 2005), die werd toegepast ten tijde van belang, voor "grootschalige detailhandel" 7 parkeerplaatsen per 100 m² brutovloeroppervlakte werd aanbevolen en deze parkeernota geen afzonderlijke norm voor bouwmarkten kent.

Het college heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan een norm gehanteerd van 2,2 tot 2,7 parkeerplaatsen per 100 m² brutovloeroppervlakte. Daarbij heeft het aangesloten bij de parkeerkencijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) zoals opgenomen in de CROW publicatie 182, "Parkeerkencijfers - Basis voor parkeernormering" (hierna: de CROW publicatie 182) en de daarin opgenomen parkeernorm voor bouwmarkt/tuincentrum/kringloopwinkel. Deze norm was ten tijde van de Parkeernota 2005 nog niet tot stand gekomen.

Voor zover het college stelt dat de Parkeernota 2005 een zogeheten flexibiliteitsregeling kent die volgens hem de toepassing van recente CROW-normen toelaat, wordt overwogen dat het besluit van de raad van 13 oktober 2005, waarnaar het college in dit kader verwijst, geen grond biedt voor deze stelling. In het raadsbesluit van 13 oktober 2005, waarbij de Parkeernota 2005 is vastgesteld, is onder 2. wel een regeling opgenomen die ziet op het verrekenen van de bestaande situatie met de nieuwe situatie, maar daaruit volgt niet dat van de in de Parkeernota 2005 opgenomen parkeernormen kan worden afgeweken. Het door het college aangevoerde biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de Parkeernota 2005 een regeling kent waaruit volgt dat van de daarin opgenomen normen mag worden afgeweken. Het college heeft derhalve in afwijking van de Parkeernota 2005, en daarmee in strijd met artikel 2.5.30, tweede lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening, de parkeernorm van het CROW voor bouwmarkt/tuincentrum/kringloopwinkel gehanteerd

Er is voorts niet gebleken dat het college ontheffing als bedoeld in artikel 2.5.30, vijfde lid, van de bouwverordening heeft verleend.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht tot de conclusie is gekomen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet.

Het betoog faalt.

11. De hoger beroepen van het college en Hornbach zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

12. Bij de besluiten van 26 maart 2013 heeft het college opnieuw een projectbesluit genomen en bouwvergunning eerste fase verleend. Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. Uit het bij de Wab behorende overgangsrecht volgt dat, nu de besluiten zijn bekendgemaakt na 31 december 2012, daarop het recht, zoals dat geldt sinds 1 januari 2013 van toepassing is.

13. Het college heeft zich in het projectbesluit van 26 maart 2013 wederom op het standpunt gesteld dat afdeling 2 van de Chw van toepassing is. Zoals hiervoor is overwogen onder 3.2 betreft het bouwplan evenwel geen planologische herstructurering van een bedrijventerrein, als bedoeld in categorie 3, onder 3.1 van bijlage 1 van de Chw. Het projectbesluit van 26 maart 2013 betreft derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, zodat afdeling 2 van de Chw niet van toepassing is.

14. [appellante sub 3 A] betoogt dat de bouwvergunning van 26 maart 2013 ten onrechte niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en ten onrechte geen ontwerp ter inzage is gelegd.

14.1. Dit betoog slaagt. Vast staat dat het college in strijd met artikel 46, vierde lid, van de Woningwet met betrekking tot de bouwaanvraag geen toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb en geen ontwerp van de bouwvergunning ter inzage heeft gelegd.

15. [appellante sub 3 A] betoogt dat dat aan het projectbesluit ten onrechte geen voorwaarden zijn verbonden met betrekking tot de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen, de extra in- en uitgang, het afsluiten van de uitgangen aan de zijde van de Mauritsweg/Einighauserweg.

15.1. Het door [appellante sub 3 A] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende gewaarborgd is dat de maatregelen met betrekking tot de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen, de extra in- en uitgang en het afsluiten van de uitgangen aan de zijde van de Mauritsweg/Einighauserweg zullen worden getroffen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de door het college toepasselijk geachte parkeernorm is opgenomen in de planregels en dat, zoals het college ter zitting ook heeft toegelicht, de parkeerplaatsen en in- en uitritten op de bouwtekeningen zijn ingetekend. De extra in- en uitgang en het afsluiten van de uitgang aan de Mauritsweg zijn voorts vastgelegd in de overeenkomst tussen Hornbach en de gemeente en in de overeenkomst tussen Hornbach, Rupa B.V., eigenaresse van een nabijgelegen perceel, en de Ondernemersvereniging Gardenz. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de inritvergunning voor de inrit die wordt afgesloten, zal worden ingetrokken. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de parkeerplaatsen en extra in- en uitgang worden aangelegd en de uitgangen aan de zijde van de Mauritsweg/Einighauserweg worden afgesloten.

Het betoog faalt.

16. [appellante sub 3 A] betoogt dat een aantal voorschriften bij het projectbesluit onduidelijk en daarmee in strijd met de rechtszekerheid zijn, dan wel dat de bouwaanvraag wegens strijd met de voorschriften bij het projectbesluit had moeten worden geweigerd.

16.1. Het door [appellante sub 3 A] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het projectbesluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat het in strijd is met de rechtszekerheid.

Voor zover in artikel 1.22 van de voorschriften bij het projectbesluit, waarin is gedefinieerd wat onder het begrip plankaart moet worden verstaan, is nagelaten te vermelden welk tekeningnummer de analoge verbeelding heeft en waar de digitale verbeelding kan worden gevonden, wordt overwogen dat dit als kennelijke misslag moet worden beschouwd. In artikel 1.2 van de voorschriften, waarin het begrip bestemmingsplan is gedefinieerd, is verwezen naar het op www.ruimtelijkeplannen.nl te vinden GML-bestand dat de digitale versie van het projectbesluit betreft waarvan de verbeelding onderdeel uitmaakt. De analoge verbeelding bevindt zich voorts bij de stukken.

Voor zover [appellante sub 3 A] wijst op de definities van winkel en bouwmarkt in de voorschriften bij het projectbesluit en stelt dat deze onduidelijk en innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat in een winkel blijkens de definitie daarvan alleen aan particulieren mag worden verkocht, terwijl een bouwmarkt is gedefinieerd als winkel waar aan zowel vakman als particulier wordt aangeboden en zij voorts stelt dat de verkoop aan de vakman niet is toegestaan, omdat het plangebied de bestemming "detailhandel" bestemd voor een "bouw- en tuinmarkt" heeft en de verkoop aan de vakman groothandel betreft, wordt het volgende overwogen. Uit de enkele vermelding van "vakman" in de definitie van bouwmarkt kan niet worden afgeleid dat daarmee is gedoeld op groothandel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ziet op de consumenten van de bouwmarkt die daar met een zakelijk motief komen. Dat een deel van de consumenten van een bouwmarkt met een zakelijk motief bij een bouwmarkt kopen, maakt niet dat het een bouwmarkt niet langer als detailhandel kan worden aangemerkt en het om een groothandel gaat. De voorschriften bij het projectbesluit zijn op dit punt dan ook niet innerlijk tegenstrijdig. Voor zover [appellante sub 3 A] in dit kader stelt dat uit het aan het projectbesluit ten grondslag liggende rapport van DHV van 28 november 2012 blijkt dat de drive-in niet is gericht op de verkoop aan consumenten, wordt overwogen dat dit ziet op de in het projectbesluit opgenomen voorwaarde met betrekking tot het gebruik van de drive-in, namelijk dat deze alleen mag worden gebruikt voor het in- en opladen van goederen die in de winkel, dus niet in de drive-in zijn gekocht of gehuurd.

Voor zover [appellante sub 3 A] er op wijst dat de bouwaanvraag ziet op volledig tuincentrum assortiment voor tuin en dier, sanitairassortiment en woninrichtingassortiment en dit niet kan worden begrepen onder de definities van bouw- en tuinmarkt, zodat de bouwaanvraag in zoverre had moeten worden geweigerd wordt het volgende overwogen. Het projectbesluit is genomen overeenkomstig de ruimtelijke onderbouwing inclusief verbeelding en voorschriften. In de toelichting is vermeld dat het projectbesluit onder meer betrekking heeft op: "de verkoop van het dhz-assortiment, verf en behang, hout en bouwmaterialen en volledig tuincentrumassortiment voor tuin en dier, met grove tuinbouwmaterialen en bouwmaterialen, keukens, badkamers, tegels en sanitair, elektra, verlichting, vloerbedekking, decoratie en woninginrichting". Er is geen grond voor het oordeel dat de bouwaanvraag in strijd is met het projectbesluit.

Het betoog faalt.

17. De raad heeft naar aanleiding van een voorstel van het college van 11 december 2012 bij besluit van 5 februari 2013 de hiervoor onder 8. beschreven beleidsregel ingetrokken en de volgende beleidsregel vastgesteld:

"Industriepark Noord en Gardenz zijn de twee aangewezen locaties voor grootschalige doe-het-zelfwinkels. Op beide locaties is voor wat betreft de doe-het-zelfbranche uitbreiding van het DHZ winkelvloeroppervlak mogelijk onder de voorwaarde dat daarmee de spreiding van doe-het-zelflocaties (Gardenz en Industrieterrein Noord) niet in gevaar komt en er geen sprake is van duurzame ontwrichting. Het vloeroppervlak DHZ betreft tevens de assortimenten keuken en woninginrichting.".

18. Het college heeft zich op grond van het distributieplanologisch onderzoek (hierna: DPO) van DHV van januari 2010 en de actualisatie van dit DPO van 28 november 2012 op het standpunt gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met het gemeentelijk retailbeleid, nu als gevolg van de realisering van het bouwplan de spreiding van de doe-het-zelf locaties niet in gevaar komt en geen sprake zal zijn van duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur.

19. [appellante sub 3 A] betoogt, onder verwijzing naar het rapport van adviesbureau Ecorys van 22 juni 2010, dat het bouwplan in strijd is met het nieuwe retailbeleid.

19.1. Aan de vaststelling van de bij besluit van 5 februari 2013 vastgestelde beleidsregel ligt, blijkens de tekst daarvan en de daaraan ten grondslag gelegde stukken, het voorkomen van duurzame ontwrichting van de aanbodstructuur en, in dat licht, het behouden van de huidige spreiding en diversiteit in bouwmarkten ten grondslag.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 9.3 en 9.4 volgt dat de bij het besluit van 5 februari 2013 vastgestelde beleidsregel evenals de bij dat besluit ingetrokken beleidsregel berust op het motief om concurrentieverhoudingen te beschermen buiten de gevallen waarin dat motief wegens gevaar van een duurzame ontwrichting gerechtvaardigd kan zijn. De beleidsregel strekt dan ook niet ter bescherming van het belang van een goede ruimtelijke ordening en had buiten toepassing gelaten dienen te worden. Het betoog van [appellante sub 3 A] kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat het projectbesluit van 26 maart 2013 niet rechtmatig is.

Het betoog faalt.

20. [appellante sub 3 A] betoogt dat het college heeft miskend dat de realisering van het bouwplan zal leiden tot een leegstand met onaanvaardbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat in de centrumgebieden van Sittard-Geleen.

20.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wab (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever ten aanzien van artikel 8:69a van de Awb heeft willen aansluiten bij artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet. Ook met artikel 8:69a van de Awb heeft de wetgever de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

Het belang van een goed woon- en leefklimaat in de centrumgebieden van Sittard-Geleen betreft niet het belang waarvoor [appellante sub 3 A] in deze procedure bescherming zoekt, reeds nu zij niet is gevestigd in deze centrumgebieden. Gelet hierop kan het betoog van [appellante sub 3 A], wat daar verder van zij, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Het betoog faalt.

21. [appellante sub 3 A] betoogt dat het college de parkeerbehoefte vanwege het bouwplan niet juist heeft berekend en het bouwplan niet in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Volgens haar had het college, gelet op de omvang, aantrekkingskracht en assortiment van het bouwplan, een andere parkeernorm toe dienen te passen.

21.1. De raad heeft bij besluit van 15 maart 2012 het gemeentelijke parkeerbeleid gewijzigd en de nota "Parkeernormen Sittard-Geleen-Parkeernormsystematiek 2012"(hierna: de parkeernota 2012) vastgesteld. In de Parkeernota 2012 is naast een parkeernorm voor grootschalige detailhandel een parkeernorm voor bouwmarkt/tuincentrum/kringloopwinkel opgenomen. Het college heeft de parkeerbehoefte met toepassing van de parkeernorm voor bouwmarkt/tuincentrum/kringloopwinkel berekend op 380 parkeerplaatsen en heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan met 462 parkeerplaatsen ruimschoots in die behoefte voorziet.

Het door [appellante sub 3 A] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan in voldoende parkeergelegenheid voorziet en de realisatie van het bouwplan niet zal leiden tot onaanvaardbare parkeerhinder. Haar stelling dat de Parkeernota 2012 een algemene strekking heeft en in specifieke gevallen maatwerk nodig is, hetgeen bijvoorbeeld geldt indien de nieuwe ontwikkeling onder meerdere categorieën kan vallen zoals hier het geval is, is daarvoor onvoldoende. Uit de Parkeernota 2012 volgt niet dat in het geval van een grotere bouwmarkt/tuincentrum, als de onderhavige, niet mag worden aangesloten bij de parkeernorm voor bouwmarkt/tuincentrum/kringloopwinkel. Dat de CROW in juli 2012 zijn parkeernormen heeft aangepast en daarin een norm voor winkelboulevards heeft opgenomen, brengt evenmin met zich dat het college de in de Parkeernota 2012 opgenomen norm voor bouwmarkt/tuincentrum/kringloopwinkel niet toe heeft mogen passen, reeds nu het gemeentelijke parkeerbeleid in de Parkeernota 2012 is neergelegd en het college overeenkomstig dit beleid dient te handelen.

Het betoog faalt.

22. [appellante sub 3 A] betoogt dat het college de verkeerseffecten van de realisering van het bouwplan niet juist heeft beoordeeld, nu het zich bij zijn besluitvorming ten onrechte heeft gebaseerd op het rapport van Royal HaskoningDHV van 20 maart 2013 en geen acht heeft geslagen op het rapport van Goudappel Coffeng van 2 mei 2012. Volgens haar blijkt uit dit laatste rapport dat de verkeersveiligheid als gevolg van de realisering van het bouwplan ernstig wordt bedreigd.

22.1. Het door [appellante sub 3 A] aangevoerde biedt geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het rapport van RoyalHaskoning heeft mogen baseren en dat de realisering van het bouwplan zodanige verkeerseffecten heeft dat het college in redelijkheid geen projectbesluit heeft kunnen nemen. De enkele verwijzing naar hetgeen zij in beroep over het rapport van Goudappel Coffeng heeft aangevoerd en de stelling dat in het rapport van Royal Haskoning bij de beoordeling of zich al dan niet verkeerscongestie zal voordoen en of de verkeerssituatie al dan niet onveilig zal worden niet is uitgegaan van de drukste periode, zaterdagmiddag, terwijl Goudappel Coffeng daar wel van is uitgegaan, is daarvoor onvoldoende. Dat in het rapport van Royal Haskoning van andere uitgangspunten is uitgegaan dan het rapport van Goudappel Coffeng brengt, anders dan [appellante sub 3 A] betoogt niet met zich dat de uitgangspunten in dit eerste rapport onjuist zijn.

Het betoog faalt.

23. [appellante sub 3 A] heeft voor het overige volstaan met een enkele verwijzing naar hetgeen zij in beroep tegen het projectbesluit van 10 januari 2012 en de bouwvergunning van rechtswege heeft aangevoerd. Dit kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de besluiten van 26 maart 2013 onrechtmatig zijn.

24. Het beroep van [appellante sub 3 A] tegen het projectbesluit van 26 maart 2013 is ongegrond. Het beroep van [appellante sub 3 A] tegen het besluit van 26 maart 2013 tot verlening van de bouwvergunning eerste fase is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 46, vierde lid, van de Woningwet. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, nu niet is gebleken dat belanghebbenden in het onderhavige geval zijn benadeeld door het niet toepassen van afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van de bouwvergunning eerste fase. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bouwvergunning van 26 maart 2013 naar inhoud gelijkluidend is aan de eerder van rechtswege tot stand gekomen bouwvergunning en het besluit van 26 maart 2013 tot verlening van de bouwvergunning door het college voorts is gepubliceerd in het Elektronisch gemeenteblad, waarbij is gewezen op de mogelijkheid het besluit en de daarbij behorende stukken in te zien en daartegen beroep in te stellen bij de Afdeling.

25. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 3 A] tegen het besluit van 26 maart 2013, kenmerk BV13.0001 gegrond

III. vernietigt het besluit van 26 maart 2013, kenmerk BV13.0001;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 maart 2013, kenmerk BV13.0001 in stand blijven;

V. verklaart het beroep van [appellante sub 3 A] tegen het besluit van 26 maart 2013, kenmerk 914361, ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Sittard tot vergoeding van bij de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 3 A] en [appellante sub 3 B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

580.