Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2340

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201210560/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het niet-tijdig beslissen op een aanvraag voor een standplaatsvergunning, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210560/1/A3.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 september 2012 in zaak nr. 10/873 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het niet-tijdig beslissen op een aanvraag voor een standplaatsvergunning, afgewezen.

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een vergoeding van € 691,70 toegekend.

Bij uitspraak van 14 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 juni 2010 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door D. Davids, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 3 november 2008 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om in 2009 een standplaats in te nemen op het Posttilterrein aan de Beersterweg te Winschoten ten behoeve van het graveren van kentekens en het repareren van autoruiten. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college de aanvraag ingewilligd en de gewenste standplaatsvergunning voor het jaar 2009 verleend.

2. Op 26 maart 2009 heeft [appellant] een verzoek om schadevergoeding ingediend. Aan dit verzoek heeft hij ten grondslag gelegd dat het college de aanvraag van 3 november 2008 niet tijdig heeft ingewilligd en dat hij in afwachting van de beslissing op de aanvraag geen standplaats heeft kunnen innemen en derhalve geen inkomsten heeft kunnen genereren uit het graveren van kentekens en het repareren van autoruiten.

3. Het college heeft in zijn besluit van 29 juni 2010 erkend dat het onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig op de aanvraag te beslissen. Het heeft een bedrag van € 691,70 toegekend voor schade geleden in de vorm van omzetderving in de periode 20 februari 2009 tot en met 10 maart 2009. De periode vangt aan op 20 februari 2009, omdat [appellant] volgens het college op die datum voor het eerst te kennen heeft gegeven dat hij als gevolg van het uitblijven van een besluit schade lijdt. De periode eindigt op de dag waarop het besluit op de aanvraag voor een standplaatsvergunning is genomen.

4. De rechtbank heeft overwogen dat het college, nu het heeft erkend dat het onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig op de aanvraag te beslissen, in beginsel is gehouden de schade die uit het niet tijdig nemen van dat besluit voortvloeit te vergoeden. Dit laat echter onverlet dat het college van [appellant] mag verwachten dat hij zijn schade tracht te beperken en dat als hij dat nalaat de tekortkoming in de besluitvorming niet geheel voor rekening van het college dient te komen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] reeds op 5 februari 2009 bij het college heeft gerappelleerd en dat [appellant] daarom vanaf die datum aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens inkomstenderving. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit in strijd met de zorgvuldigheid is genomen omdat het college de schadeberekening van [appellant] en de daaraan ten grondslag liggende stukken niet bij zijn beoordeling in aanmerking heeft genomen en ook geen nader onderzoek heeft gedaan.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij pas vanaf 5 februari 2009, de datum waarop hij heeft gerappelleerd, aanspraak kan maken op schadevergoeding. Hij stelt dat hij niet eerder heeft gerappelleerd, omdat hij niet bekend was met het bestuursrecht en omdat hij daar wegens familieomstandigheden niet toe in staat was. Eerder rappelleren had bovendien geen verschil gemaakt, nu is gebleken dat het college stelselmatig nalaat om op herinneringen te reageren, aldus [appellant].

5.1. Dat [appellant], naar hij stelt, niet bekend was met het bestuursrecht, laat onverlet dat het - met het oog op de op hem rustende plicht de schade te beperken - aan hem was om na overschrijding van de beslistermijn het college te herinneren aan de door hem ingediende aanvraag. In de gestelde familieomstandigheden ziet de Afdeling voorts geen aanleiding om aan te nemen dat [appellant] niet in staat was om eerder te rappelleren. Zonodig had hij een maatregel kunnen treffen om zijn belangen te laten behartigen. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het college nimmer op herinneringen reageert. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] vanaf 5 februari 2009 aanspraak kan maken op een schadevergoeding.

6. Anders dan [appellant] heeft betoogd, was de rechtbank niet gehouden om het geschil vervolgens finaal te beslechten door zelf in de zaak te voorzien. Het vaststellen van de omvang van de geleden schade vergt immers een nadere beoordeling, die in de eerste plaats door het college dient te worden verricht. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om het geschil in hoger beroep finaal te beslechten, nu het college en [appellant] het ter zitting over eens zijn geworden dat het college aan [appellant] € 3000,00, te vermeerderen met wettelijke rente, betaalt als vergoeding voor de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het niet-tijdig beslissen op een aanvraag voor een standplaatsvergunning. Daartoe zal de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaren en de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij aan het college is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Afdeling zal voorts bepalen dat het college aan [appellant] € 3000,00 betaalt voor schade geleden in de vorm van omzetderving, te vermeerderen met wettelijke rente, en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de uitspraak van de rechtbank vernietigde besluit. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient voor het overige te worden bevestigd.

6.1. De Afdeling overweegt het volgende over de berekening van de wettelijke rente.

Aangezien het hier geen handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek betreft, dient de hoogte van de wettelijke rente over het bedrag van € 3000,00 te worden berekend overeenkomstig artikel 6:119. De periode waarover de wettelijke rente moet worden berekend, loopt van 5 februari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening. Ingevolge artikel 6:119, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, telkens na afloop van een jaar vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De hoogte van de wettelijke rente volgt uit artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek in samenhang bezien met het Besluit wettelijke rente, welk Besluit periodiek wordt gewijzigd. De wettelijke rente bedroeg in de periode van 5 februari 2009 tot en met 30 juni 2009 6%, is op 1 juli 2009 vastgesteld op 4%, op 1 januari 2010 op 3%, op 1 juli 2011 op 4% en bedraagt per 1 juli 2012 opnieuw 3%.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 september 2012 in zaak nr. 10/873, voor zover daarbij aan het college van burgemeester en wethouders van Oldambt is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak;

III. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Oldambt aan [appellant] een bedrag van € 3000,00 (zegge: drieduizend euro) betaalt, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 februari 2009 tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oldambt tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 522,08 (zegge: vijfhonderdtweeëntwintig euro en acht cent);

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oldambt aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

589.