Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201209867/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:21569, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 september 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209867/1/V2.

Datum uitspraak: 3 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 5 oktober 2012 in zaken nrs. 12/29239 en 12/29237 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de eerste en de tweede grief, in hun onderlinge samenhang bezien, klaagt de staatssecretaris onder meer dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde identiteitskaart van - naar gesteld - zijn moeder kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat dit document in 1993 is afgegeven, zodat niet valt in te zien waarom de vreemdeling dit document niet reeds in de eerdere procedure had kunnen en derhalve behoren over te leggen.

2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 27 september 2011, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluit van 5 oktober 2011 is afgewezen. Het besluit van 5 september 2012 is van gelijke strekking als dat van 5 oktober 2011, zodat op het tegen het besluit van 5 september 2012 ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.4. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 28 augustus 2012, ter staving van zijn in de vorige procedure niet geloofwaardig geachte identiteit en nationaliteit, een Eritrese identiteitskaart ten grondslag gelegd, waarvan hij stelt dat deze van zijn moeder is. Nu met de overgelegde identiteitskaart de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet alsnog is komen vast te staan, is op voorhand uitgesloten dat deze kaart kan afdoen aan het besluit van 5 oktober 2011. Voormelde identiteitskaart is, daargelaten of deze eerder had kunnen en derhalve had moeten worden overgelegd, dan ook geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, als hiervoor bedoeld. De grieven slagen reeds hierom. Hetgeen voor het overige in de grieven is aangevoerd, behoeft geen bespreking.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 5 september 2012 geen plaats. Reeds daarom dient, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen dit besluit alsnog ongegrond te worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 5 oktober 2012 in zaak nr. 12/29237;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Yildiz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2013

594.