Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2321

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201206125/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2012:4780, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college het verzoek van Behoud de Parel om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen ter zake van de door [vergunninghoudster] gedreven varkenshouderij aan de [locatie] te Grubbenvorst afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TGMA 2014/4
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3246
Milieurecht Totaal 2014/473

Uitspraak

201206125/1/A4.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Behoud de Parel, gevestigd te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas, en de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen (hierna tezamen en in enkelvoud: Behoud de Parel),

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 10 mei 2012 in zaak nrs. 12/469 en 12/471 in het geding tussen:

Behoud de Parel

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college het verzoek van Behoud de Parel om bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen ter zake van de door [vergunninghoudster] gedreven varkenshouderij aan de [locatie] te Grubbenvorst afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft het college het door Behoud de Parel daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

Bij uitspraak van 10 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter het door Behoud de Parel daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 maart 2012 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Behoud de Parel hoger beroep ingesteld.

[vergunninghoudster] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2013, waar Behoud de Parel, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door G. Zoet, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door G.J.P. Vullings, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Uit de stukken volgt dat in de varkenshouderij op grond van de bij besluit van 22 februari 1999 krachtens de Wet milieubeheer verleende revisievergunning 6.508 vleesvarkens mogen worden gehouden, waarvan 5.262 stuks in traditionele stallen.

Het college heeft zich bevoegd geacht om bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen te treffen omdat binnen de inrichting niet wordt voldaan aan de ingevolge het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting) geldende maximale emissiewaarden voor ammoniak, maar heeft geweigerd deze te treffen omdat volgens het college op grond van bijzondere omstandigheden daarvan kon worden afgezien.

2. Behoud de Parel kan zich niet verenigen met het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit van 8 maart 2012 en betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen niet onevenredig was. Zij stelt dat in dit geval geen zicht bestaat op een verbetering van de milieuhygiënische situatie.

Volgens Behoud de Parel heeft de voorzieningenrechter verder ten onrechte een eigen belangenafweging gemaakt en daarbij andere belangen betrokken dan het college bij de alsnog bij de voorzieningenrechter kenbaar gemaakte motivering van het besluit.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr. 200902244/1/H1) kan in een geval als het onderhavige, waarin een besluit wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering is vernietigd, uit een oogpunt van proceseconomie aanleiding bestaan om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten indien het bestuursorgaan vasthoudt aan zijn besluit en alsnog de vereiste motivering kenbaar maakt en de andere partijen zich daarover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten. Daarbij is beslissend of de inhoud van het vernietigde besluit na de alsnog kenbaar gemaakte motivering de rechterlijke toets kan doorstaan.

2.2. Het college heeft zich ter zitting bij de voorzieningenrechter op het standpunt gesteld dat zicht bestond op een legale situatie waarin wat betreft het aspect ammoniak een verbetering zal optreden ten opzichte van de huidige milieuhygiënische situatie en dat daarin aanleiding bestond om af te zien van het treffen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.1. Op 30 september 2010 heeft [belanghebbende] bij het college van gedeputeerde staten van Limburg een aanvraag ingediend om een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer. Deze aanvraag ziet op het houden van in totaal 10.836 biggen, 600 kraamzeugen, 2.436 guste en dragende zeugen, 45 dekberen, 720 opfokzeugen en 20.580 vleesvarkens in een zogenoemd Nieuw Gemengd Bedrijf in stallen met een gecombineerd luchtwassysteem met 85% emissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL2009.12). Op 22 november 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg een ontwerp van het besluit tot verlening van de revisievergunning ter inzage gelegd.

2.4. De aanvraag van 30 september 2010 ziet niet op het verkrijgen van vergunning voor de bestaande situatie, waarin vleesvarkens in strijd met het Besluit huisvesting worden gehouden in traditionele stallen. Concreet zicht op legalisatie van de bestaande situatie bestaat dus niet.

De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat een aanvraag is ingediend voor een nieuwe bedrijfssituatie en het bestuursorgaan bereid is de gevraagde vergunning voor die nieuwe situatie te verlenen, als zodanig niet een bijzondere omstandigheid is om af te zien van het treffen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen. Daar komt het volgende bij. In de nieuwe bedrijfssituatie wordt, anders dan waarvan het college is uitgegaan, vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet meer bescherming geboden aan de omgeving dan in de bestaande situatie. Blijkens het ontwerp van het besluit tot vergunningverlening wordt ervan uitgegaan dat met toepassing van de beste beschikbare technieken de ammoniakemissie in de nieuwe situatie 14.729,55 kilogram per jaar bedraagt. De ammoniakemissie in de bestaande situatie bedraagt echter bij het houden van 6.508 vleesvarkens met toepassing van de beste beschikbare technieken, 9.004,80 kilogram per jaar, hetgeen aanzienlijk minder is. Het college heeft ten onrechte, bij de beoordeling van de door hem van betekenis geachte omstandigheid of milieuhygiënisch een verbetering optreedt, de bestaande ammoniakemissie van de inrichting, waar vleesvarkens worden gehouden in traditionele stallen, vergeleken met de ammoniakemissie in de nieuwe situatie. In ieder geval vanaf 1 januari 2010 moest immers worden voldaan aan het Besluit huisvesting.

Gelet op het vorenoverwogene is niet gebleken dat ten tijde van de aangevallen uitspraak handhavend optreden zodanig onevenredig was in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het college in redelijkheid van optreden kon afzien. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 10 mei 2012 in zaken nrs. 12/469 en 12/471, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Behoud de Parel en de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas aan de vereniging Vereniging Behoud de Parel en de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

163-778.