Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2318

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201201146/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Devenij B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend voor een mengvoederbedrijf met verwerking van grondstoffen en reststoffen tot mengvoeder aan de Veulenseweg 20 te Veulen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/610

Uitspraak

201201146/1/A4.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Devenij B.V. (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer gedeeltelijk verleend voor een mengvoederbedrijf met verwerking van grondstoffen en reststoffen tot mengvoeder aan de Veulenseweg 20 te Veulen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M. Engelen, advocaat te Velp, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J.A.G. Werkhoven en ing. P.G.L. Jacobs, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door P.A.C. Smets, bijgestaan door mr. P.A.M. van Hoef, advocaat te Venray, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om verlening van de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

Vergunning

2. Bij het bestreden besluit heeft het college vergunning verleend voor een mengvoederbedrijf. Ten opzichte van de reeds vergunde situatie vinden de volgende veranderingen plaats: uitbreiding van het bedrijfsterrein, uitbreiding van het aantal vloeistoftanks, uitbreiding van het tank- en silopark van de afdeling Feed, aanpassing van de ventilatie bij de afdeling Food, aanpassing van de koeling bij de afdeling Food, ontvangst van deegproducten in containers, aanpassing van de drooginstallatie van de afdeling Food, beëindigen van productie van rundveevoeder en opschalen van productie van varkensvoer, verwerking van K3 producten en het bouwen van een nieuwe bedrijfshal. De vergunning is geweigerd voor de laad- en losactiviteiten op het voorterrein zoals beschreven in paragraaf 3.4 van de aanvullende gegevens van 7 april 2011. Voorts is de vergunning verleend voor een periode van tien jaar voor de activiteiten met betrekking tot afvalstoffen en voor de overige activiteiten voor onbeperkte tijd.

Onzorgvuldige besluitvorming

3. [appellant] stelt dat de besluitvorming van het college onzorgvuldig is, omdat hij geen reactie heeft gekregen op een door hem ingediende zienswijze over een ontwerpbesluit van 17 december 2009 en het college heeft volstaan met de stelling dat de daaraan ten grondslag liggende aanvraag is ingetrokken.

3.1. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat hierin geen aanleiding kan bestaan voor vernietiging van dit besluit.

De beroepsgrond faalt.

Algemeen toetsingskader

4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

Geluid

5. Er worden twee geluidsituaties aangevraagd. De bestaande bedrijfssituatie RBS 2 en de toekomstige bedrijfssituatie RBS 1 die ontstaat nadat een nieuwe bedrijfshal is gerealiseerd. Ingevolge de aan de vergunning verbonden voorschriften moeten de geluidreducerende maatregelen, zoals beschreven in het aan de aanvraag ten grondslag gelegde akoestisch rapport van Wensink akoestiek & milieu van 3 februari 2011 voor 1 januari 2013 zijn uitgevoerd. Vanaf die datum moet worden voldaan aan de vergunde geluidnormen voor RBS 1.

6. [appellant] betoogt dat de aangevraagde vergunning had moeten worden geweigerd vanwege het milieuaspect geluid. Hiertoe voert hij verschillende gronden aan. Ter onderbouwing van die gronden heeft hij een akoestische beoordeling van PJ milieu B.V. van 1 april 2012 overgelegd. Ter zitting heeft [appellant] de gronden die zien op RBS 2 ingetrokken.

Omschrijving representatieve bedrijfssituatie

7. [appellant] betoogt dat de representatieve bedrijfssituatie onvoldoende duidelijk is beschreven in het bestreden besluit. Hiertoe stelt hij dat de beschrijving zich met name richt op de transportbewegingen en dat de functie, aard en bedrijfsduur van andere bronnen niet of niet volledig zijn toegelicht. Daardoor zijn de hoogte van de geluidvermogens en de gehanteerde bedrijfsduurcorrectie niet controleerbaar, aldus [appellant].

7.1. In de aanvraag om milieuvergunning zijn de bestaande en toekomstige bedrijfssituatie uitgebreid omschreven met de werkzaamheden die in beide situaties plaatsvinden. Voorts zijn in het akoestisch rapport, dat aan de aanvraag ten grondslag is gelegd, de twee aangevraagde bedrijfssituaties omschreven. Daarbij is ingegaan op de aard van de inrichting, de werktijden, expeditie en is een overzicht gegeven van de geluidbronnen. Zowel de aanvraag als het akoestisch rapport maken deel uit van de verleende vergunning.

7.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat het akoestisch rapport een toereikend inzicht biedt in de bedrijfssituatie. De Afdeling ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat vanwege een onduidelijke beschrijving van de representatieve bedrijfssituatie de hoogte van de geluidvermogens en de gehanteerde bedrijfsduurcorrectie niet controleerbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

Onjuistheden akoestisch rapport

8. [appellant] voert aan dat het akoestisch rapport niet overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de Handleiding) is opgesteld. Hiertoe voert hij aan dat een aantal bronvermogens onjuist is vastgesteld. Ten aanzien van de verrichte afleidingen volgens de rekenmethode II.2 van de Handleiding stelt [appellant] allereerst dat niet duidelijk is welke brongeometrie is gekozen. Ook voert hij aan dat de gehanteerde meethoogten van de schoorsteen en de ‘koelunit (Lennox)’ niet overeenkomen met het bepaalde onder 4.2.4.2 van de Handleiding. Voorts had, gelet op de gehanteerde meetafstand, het geluidvermogen voor de bronnen ‘schoorsteen’, ‘recyclinggedeelte roerwerk silo gedempt’ en ‘afzuigfan naast rooster compressieruimte’ anders moeten worden bepaald, aldus [appellant]. Met betrekking tot de afleiding volgens rekenmethode II.3 van de Handleiding stelt hij verder dat de meeste metingen zijn verricht op een afstand van 0,1 m tot de bron, terwijl dit volgens die methode ten minste 0,5 m dient te zijn.

8.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat met name de vrachtwagenbewegingen op het terrein van de inrichting de maatgevende bronnen zijn voor het immissieniveau op de gevels van de omliggende woningen en dat, hoewel een aantal bronvermogenniveaus niet overeenkomstig de Handleiding is vastgesteld, dit niet tot een onderschatting heeft geleid, nu deze bronnen niet als maatgevende bronnen zijn aan te merken. Ook indien de bronvermogens van de door [appellant] genoemde geluidbronnen wel overeenkomstig de Handleiding waren bepaald had dit niet tot een andere rekenuitkomst geleid, aldus het deskundigenbericht. Ten aanzien van de stelling van [appellant] met betrekking tot rekenmethode II.3, is in het deskundigenbericht vermeld dat rekenmethode II.2 is toegepast. Geen aanleiding bestaat om aan het in het deskundigenbericht gestelde te twijfelen. Gelet op het daarin gestelde bestaat, hoewel een aantal bronvermogenniveaus niet overeenkomstig de Handleiding is vastgesteld, geen grond het bestreden besluit te vernietigen.

De beroepsgrond faalt.

9. [appellant] stelt dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat bij de bronbepaling in bijlage 2 van het akoestisch rapport is uitgegaan van een bronhoogte van de schoorsteen (bron F33/F34) van 10 m, terwijl in het rekenmodel die bron is ingevoerd met een bronhoogte van 28 m. Ook heeft volgens hem willekeur plaatsgevonden bij de gehanteerde uitstralingsrichting en openingshoek van bron F15/F16. Tenslotte stelt [appellant] dat de kantoorgebouwen dezelfde hoogtes hebben en daarom ten onrechte niet aan elkaar zijn gekoppeld.

9.1. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat bij het bepalen van het bronvermogenniveau van de schoorsteen is gemeten bij een schoorsteen met een hoogte van 10 m, terwijl de schoorsteen is verlengd tot ongeveer 15 m met een bochtstuk dat is voorzien van een geluidbuffer. De gehanteerde hoogte van 28 m is dan ook onjuist. Echter, gelet op het feit dat de 15 m hoge schoorsteen ruim boven het omliggende dak van de foodfabriek uitkomt, heeft dit in akoestisch opzicht geen consequenties voor de berekende immissieniveaus ter plaatse van de omliggende woningen, aldus het deskundigenbericht. Voorts vermeldt het deskundigenbericht dat de geluidbronnen F15 en F16 uitstralende geveldelen zijn van de foodfabriek. Hoewel per abuis voor bron F16 een richtingafhankelijke uitstraling in westelijke richting is ingevoerd, heeft dit geen consequenties voor de berekende immissieniveaus ter plaatse van de woning van [appellant], omdat het om het westelijk deel van de foodfabriek gaat en zijn woning ten oosten van de inrichting ligt, aldus het deskundigenbericht. Voorts is door het college naar voren gebracht dat vergunninghoudster naar aanleiding van het door [appellant] overgelegde rapport van PJ milieu van 1 april 2012 Wensink akoestiek & milieu een nadere berekening heeft laten verrichten waarbij de kantoorgebouwen zijn gekoppeld. Daarbij is vastgesteld dat het verschil op immissieniveau op het dichtstbijzijnde beoordelingspunt ongeveer 0,2 dB(A) bedraagt en het niet koppelen van de gebouwen derhalve geen relevante invloed heeft op de berekende immissies. Het deskundigenbericht onderschrijft dit. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

9.2. [appellant] heeft weliswaar terecht kritiek geuit op de modellering van enkele bronnen, maar dit leidt, gelet op het in het deskundigenbericht gestelde dat de afwijkingen geen relevante invloed hebben op de berekende immissies, niet tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellant] betoogt voorts dat in het akoestisch rapport de toegepaste bodemgebieden onjuist zijn gemodelleerd. Hiertoe voert hij allereerst aan dat in de lijst met bodemgebieden item 001A is vermeld en dat dit niet is terug te vinden in het overzicht van die gebieden. Ook stelt hij dat uit het als bijlage 2 bij het akoestisch rapport gevoegde overzicht van rekenparameters volgt dat voor het omliggende gebied is gerekend met een bodemfactor voor een volledig absorberende bodem. Eventuele reflecties in verharde bodemgebieden bij de ontvangers, waaronder met name de woning aan de [locatie 1], zijn volgens hem ten onrechte niet in rekening gebracht.

10.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat in figuur 2.2 van het akoestisch rapport ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] het objectnummer voor het bodemgebied moeilijk leesbaar is en dat op een uitvergroting ervan duidelijk is te zien dat het bodemgebied daar nummer 001A heeft. Voorts is vermeld dat de verharding op het perceel [locatie 1] zich beperkt tot de ontsluiting van de garage en een smalle strook bestrating aan de voorzijde van de woning. Gelet op het feit dat de bodem tussen de Veulenseweg en de voorgevel van de woning aan de [locatie 1] overwegend zacht is, zal de aanwezige verharding geen noemenswaardig effect hebben op de werkelijk optredende immissieniveaus op de gevel van deze woning, aldus het deskundigenbericht. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

10.2. Gelet op het in het deskundigenbericht gestelde, kan [appellant] niet worden gevolgd in zijn betoog dat item 001A niet is terug te vinden in het overzicht van bodemgebieden. Hij heeft voorts tevergeefs gesteld dat ten onrechte uitsluitend is uitgegaan van een volledig absorberende bodem.

De beroepsgrond faalt.

11. Verder voert [appellant] aan dat ten onrechte niet is gerekend met de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) genoemde toeslag van 5 dB(A) wegens tonaal geluid. Volgens hem stelt het college ten onrechte dat de roerwerken in de watersilo's zijn ontkoppeld, nu deze deel uitmaken van de aangevraagde situatie. Ter zitting heeft [appellant] voorts gesteld dat voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden om te waarborgen dat de silo’s geen tonaal geluid produceren.

11.1. Het deskundigenbericht vermeldt dat [appellant] tijdens het ter plaatse verrichte onderzoek te kennen heeft gegeven dat hij sinds augustus 2012 geen hinderlijk, zoemend, tonaal geluid meer hoort. Dit zou komen omdat de silo’s met roerwerken zodanig zijn omgebouwd dat de aandrijving van de roerwerken in een kap los van de silowand is opgehangen waardoor de silo niet meetrilt bij een inwerking zijnde motor. In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat er thans geen tonaal geluid is, zodat geen rekening hoeft te worden gehouden met een toeslag op het immissieniveau. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.

11.2. Volgens paragraaf 8.1 van het akoestisch rapport zijn de roerwerken van de silo’s reeds akoestisch ontkoppeld. Daarnaast vermeldt paragraaf 8.2 dat de roerwerken van de silo's diervoeders en de silo's noordoostelijke foodfabriek een geluidwerende omkasting krijgen, hetgeen een geluidreductie van 10 dB(A) oplevert. Deze geluidmaatregel is ingevolge vergunningvoorschrift 8.6 dwingend voorgeschreven. Gelet op het voorgaande is gewaarborgd dat de silo’s geen tonaal geluid zullen veroorzaken en is in het akoestisch rapport terecht niet gerekend met een toeslag van 5 dB(A). Aanvullende vergunningvoorschriften heeft het college terecht niet noodzakelijk geacht.

De beroepsgrond faalt.

12. [appellant] stelt ten aanzien van het akoestisch rapport tenslotte dat de gehanteerde bronvermogenniveaus voor vrachtwagens niet altijd haalbaar zijn, omdat onvoldoende is gewaarborgd dat de in dat rapport voorgeschreven maatregel, dat rustig dient te worden gereden in de avond- en nachtperiode, om ervoor zorg te dragen dat het bronvermogenniveau van de vrachtwagens afneemt van 110 dB(A) voor het LWAmax naar 102 dB(A), daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Gevolg daarvan is dat de in vergunningvoorschrift 8.4 gestelde grenswaarden voor de maximale geluidniveaus in de avond- en nachtperiode voor RBS 1 niet naleefbaar zijn.

12.1. In het bestreden besluit is vermeld dat aan de grenswaarden voor het maximaal geluidniveau in de avond- en nachtperiode kan worden voldaan indien vergunninghoudster een organisatorische maatregel treft die bestaat uit een instructie aan de vrachtwagenchauffeurs. Deze schriftelijke instructie houdt in dat de chauffeurs van de af- en aanrijdende vrachtwagens in de avond- en nachtperiode met een beperkt toerental rijden waardoor het maximale geluidniveau ten gevolge van de vrachtwagenbewegingen in die periode beperkt blijft tot 62 dB(A) ter hoogte van de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 1]. Deze grenswaarden zijn voor RBS 1 opgenomen in vergunningvoorschrift 8.4.

In vergunningvoorschrift 8.6 is bepaald dat de geluidmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 8.2 van het akoestisch rapport, binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning dienen te worden uitgevoerd. Vergunningvoorschrift 8.8 bepaalt dat de geluidmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 4.2 van dat rapport, uiterlijk 1 januari 2013 dienen te zijn uitgevoerd. In paragraaf 8.2 wordt als aanvullend te treffen geluidmaatregel het rustig rijden van vrachtwagens in de avond- en nachtperiode genoemd. In paragraaf 4.2 is dit ook als aanvullende geluidmaatregel vermeld voor de bronnen EX09, EX15 tot en met EX18 en op rijroute EZ19 op nw-parkeerplaats. In paragraaf 4.4 van het akoestisch rapport is een toelichting gegeven op het rustig rijden van de vrachtwagens. Daaruit blijkt dat aan de chauffeurs van de vrachtwagens een schriftelijke instructie dient te worden gegeven om in de avond- en nachtperiode met een beperkt toerental te rijden. Omdat het uitsluitend om eigen vrachtwagens gaat is een dergelijke maatregel goed naleefbaar, aldus het akoestisch rapport.

12.2. Uit het akoestisch rapport blijkt dat bij de bepaling van de vergunde geluidnormen is gerekend met een rijsnelheid van de vrachtwagens van 10 km/uur in de avond- en nachtperiode en de bronvermogens van de vrachtwagens die dat met zich brengt. Uit dat rapport blijkt voorts, naar niet is weersproken, dat de vrachtwagenbewegingen in die periode door eigen personeel plaatsvinden en dat die de instructie krijgen om maximaal 10 km/uur te rijden. Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat op het terrein in de avond- en nachtperiode met een snelheid van maximaal 10 km/uur wordt gereden en dat de in het akoestisch rapport gehanteerde bronvermogenniveaus haalbaar zijn. [appellant] kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat de in vergunningvoorschrift 8.4 gestelde grenswaarden voor de maximale geluidniveaus in de avond- en nachtperiode voor RBS 1 niet naleefbaar zijn. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vergunninghoudster ter zitting onweersproken heeft gesteld dat op het terrein inmiddels zes borden zijn geplaatst die een maximum snelheid van 10 km/uur voorschrijven. Voor zover op het terrein door vrachtwagens in de avond- en nachtperiode harder wordt gereden dan 10 km/uur, geldt dat dit een kwestie van handhaving is.

De beroepsgrond faalt.

Het stellen van hogere grenswaarden voor het maximaal geluidniveau in de nachtperiode

13. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte hogere grenswaarden voor het maximaal geluidniveau in de nachtperiode ter plaatse van de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 1] heeft gesteld in vergunningvoorschrift 8.4. Hiertoe voert hij aan dat bij de daaraan ten grondslag liggende gemaakte bestuurlijke afweging ten onrechte geen aandacht is besteed aan het optredende binnengeluidniveau in de omliggende woningen en geen rekening is gehouden met cumulatie van overige geluidbronnen uit de omgeving, zoals het reguliere wegverkeer. [appellant] stelt voorts dat niet alle mogelijke geluidmaatregelen zijn betrokken. Ten aanzien van de door hem voorgestelde maatregel om een tweede gevelbeplating aan te brengen op de wanden van de bedrijfshallen betwijfelt hij dat de kosten daarvan 1.000.000 euro zullen zijn. Ook stelt [appellant] dat ten onrechte niet in overweging is genomen om gevelabsorptie aan te brengen tegen bijvoorbeeld wanden of plafonds van de bedrijfsruimten. Ten slotte voert [appellant] aan dat ten tijde van het bestreden besluit niet duidelijk was of kon worden voldaan aan de toegestane ontheffingswaarde in de nachtperiode van 62 dB(A).

13.1. Het college heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder de Handreiking als uitgangspunt gehanteerd.

Voor maximale geluidniveaus bevat paragraaf 3.2 van de Handreiking de aanbeveling deze te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Op grond van diezelfde paragraaf is van de grenswaarde voor de nachtperiode van 60 dB(A) onder voorwaarden een ontheffing met 5 dB(A) mogelijk, waarbij in die periode een binnenniveau van maximaal 45 dB(A) in de omliggende woningen moet zijn gegarandeerd. Daarbij is vereist dat het gaat om een bestaande, vergunde en noodzakelijke activiteit. Tevens spelen in de bestuurlijke afweging voor een ontheffing de (on)mogelijkheden van maatregelen een belangrijke rol. Tenslotte is vereist dat op het moment van vergunningverlening duidelijk is dat het maximale geluidniveau aan de ontheffingswaarde kan voldoen.

13.2. Voor de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 1] is in vergunningvoorschrift 8.4 voor RBS 1 met ontheffing een grenswaarde voor piekniveaus in de nachtperiode gesteld van 62 dB(A). Blijkens het akoestisch rapport worden deze niveaus veroorzaakt door de vrachtwagenbewegingen, zijnde ‘expeditie; aan- en afvoer’. Vermeld is dat de activiteiten die de piekniveaus veroorzaken reeds zijn vergund. Verder zijn meerdere geluidreducerende maatregelen beschreven die al zijn uitgevoerd of die nog moeten worden uitgevoerd en waarmee een toelaatbaar geluidniveau kan worden behaald. Die maatregelen hebben betrekking op het isoleren van geluidbronnen, het aankopen van geluidgevoelige objecten, het intern verplaatsen van activiteiten die geluid produceren, gedragsmaatregelen en het plaatsen van geluidschermen. Gelet op deze geluidreducerende maatregelen blijft volgens het bestreden besluit slechts nog de mogelijkheid over om een tweede gevelbeplating op de bedrijfshallen aan te brengen. De kosten voor een dergelijke maatregel, die geraamd zijn op ongeveer 1.000.000 euro, wegen volgens het bestreden besluit niet op tegen de daarmee te behalen geluidreductie van 1 tot 2 dB.

13.3. In het deskundigenbericht is vermeld dat, om het binnengeluidniveau in de omliggende woningen te beperken tot maximaal 45 dB(A), de gevels van de omliggende woningen een geluidwerende werking van 17 dB moeten hebben. Ingevolge de Handreiking mag er volgens het deskundigenbericht vanuit worden gegaan dat bij een goed onderhouden woning de geluidwering tenminste 20 dB bedraagt. Op basis van de staat van onderhoud van de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 1] is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat de gevels van die woningen ten minste een geluidwerende werking hebben van 17 dB. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht op dit punt onjuist te achten. Hoewel in het bestreden besluit geen aandacht is besteed aan het optredende binnengeluidniveau in de omliggende woningen, leidt dit, gelet op het voorgaande, in zoverre niet tot een onrechtmatigheid van het bestreden besluit.

Voorts hoeft op grond van de Handreiking geen rekening te worden gehouden met de cumulatie van omgevingseigen bronnen bij vergunningverlening. In het omgevingsgeluid is cumulatie al inbegrepen.

In het deskundigenbericht wordt het standpunt van het college onderschreven dat een investering van 1.000.000 euro voor een tweede buitenbeplating op de wanden van de bedrijfshallen, gelet op het resultaat, niet kosteneffectief is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond om te oordelen dat de beraamde kosten onjuist zijn. Uit het deskundigenbericht blijkt tevens dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om verdere bron- of overdrachtsmaatregelen te nemen ter reductie van de geluidbelasting vanwege de ligging van de woningen [locatie 2] en [locatie 1] nabij de Veulenseweg en de inrit naar de inrichting en de omstandigheid dat in de foodfabriek om hygiënische redenen geen zachte geluidabsorberende materialen of omkastingen kunnen worden gebruikt. De Afdeling ziet geen aanleiding dit onjuist te achten.

Tenslotte is onder 12.3 reeds overwogen dat het niet aannemelijk is dat de in vergunningvoorschrift 8.4 gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

De beroepsgrond faalt.

Indirecte hinder

14. [appellant] voert verder aan dat bij de beoordeling van de ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting te verwachten indirecte hinder ten onrechte is volstaan met de stelling dat, gezien de bouwkundige staat van de omliggende woningen, de gevelisolatie ten minste 20 dB(A) bedraagt en daarom een binnenniveau van 35 dB(A) is gewaarborgd.

14.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat de woning aan de [locatie 2] de maatgevende woning is en dat, om aan de norm van 35 dB(A) te kunnen voldoen, de gevel tenminste een geluidwerende werking moet hebben van 17 dB. Op basis van onderzoek ter plaatse is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat de woning aan de [locatie 2] in goed onderhouden bouwkundige staat verkeert en dat te verwachten is dat de gevel van die woning en omliggende woningen een geluidwerende werking van in elk geval 17 dB hebben. Daarbij is in aanmerking genomen dat de Handreiking vermeldt dat in de praktijk de geluidwering bij goed onderhouden woningen 20 dB is. De Afdeling ziet geen aanleiding het deskundigenbericht niet te volgen. Derhalve is er in het bestreden besluit terecht vanuit gegaan dat een binnenniveau van 35 dB(A) is gewaarborgd.

De beroepsgrond faalt.

Norm voor zon- en feestdagen

15. [appellant] stelt voorts dat in de vergunning ten onrechte geen strengere geluidnormen zijn opgenomen voor de zon- en feestdagen, terwijl de Handreiking die mogelijkheid wel biedt in paragraaf 5.7.

15.1. Paragraaf 5.7 van de Handreiking vermeldt dat wat betreft de richtwaarden op zon- en feestdagen onderscheid moet worden gemaakt tussen volcontinue-bedrijven en niet volcontinue-bedrijven. Bij de eerste categorie bedrijven is het volgens de Handreiking veelal niet mogelijk om voor de zon- en feestdagen een strengere richtwaarde te hanteren.

15.2. Blijkens de aanvraag om milieuvergunning wordt er gewerkt in een drieploegendienst van zondag 21.00 tot zaterdag 18.00 uur. Indien nodig worden tussen zaterdagavond 18.00 en zondagavond 21.00 uur extra onderhoudswerkzaamheden verricht, zoals het vervangen van transportbanden en het plaatsen van nieuwe machines. De inrichting is ook gedurende een aantal feestdagen per jaar in werking. De inrichting is derhalve een volcontinue-bedrijf. Het college heeft dan ook in redelijkheid geen strengere geluidnormen hoeven stellen voor de zon- en feestdagen.

De beroepsgrond faalt.

Vergunningvoorschrift 8.2

16. [appellant] betoogt dat de in vergunningvoorschrift 8.2 vergunde grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Lar,LT ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] in RBS 1 van 43, 43 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode niet overeenkomen met de in het akoestisch rapport berekende waardes van 43, 46 en 43 dB(A).

16.1. In de aanvraag om milieuvergunning is vergunning gevraagd voor RBS 1 overeenkomstig het akoestisch rapport van 24 september 2010. Dat rapport is gewijzigd bij het rapport van 3 februari 2011. Tabel 4 van dat rapport bevat het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT na aanvullende geluidmaatregelen. Dat is bij de woning aan de [locatie 2] 43, 46, 43 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het akoestisch rapport is ook beoordeeld of, naast de reeds geplande aanvullende geluidmaatregelen, nog compenserende maatregelen mogelijk zijn om het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT bij de woning aan de [locatie 2] in RBS 1 in de avond- en nachtperiode met 3 dB(A) te reduceren. In tabel 4a van het akoestisch rapport is het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT weergegeven voor drie beoordelingspunten ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] na het nemen van de in paragraaf 4.2 van het geluidrapport vermelde compenserende maatregelen. Bij het zwaarst belaste beoordelingspunt is dit 43, 43 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Derhalve stelt [appellant] ten onrechte dat de in vergunningvoorschrift 8.2 vergunde grenswaarden niet overeenkomen met de in het akoestisch rapport berekende waardes.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

552.