Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201207262/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 (oud) van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een nertsenhouderij aan de [locatie] te Elsendorp.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Besluit milieueffectrapportage
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/615

Uitspraak

201207262/1/A4.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Elsendorp, gemeente Gemert-Bakel, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 (oud) van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een nertsenhouderij aan de [locatie] te Elsendorp.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door E. Kramer en ing. A. Linnemans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting

[vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat geen milieueffectrapport (hierna: MER) hoefde te worden opgesteld. In dit verband stellen zij dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, zoals dat sinds 1 april 2011 geldt. Bovendien had het college, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08, Commissie tegen Nederland, (www.curia.europa.eu), rekening moeten houden met andere factoren die worden genoemd in bijlage III van de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particulieren projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (hierna: de richtlijn), die aanleiding kunnen geven voor het opstellen van een MER. Zij wijzen hierbij op het feit dat de inrichting is gelegen op voor verzuring gevoelige grond en op korte afstand van voor ammoniak kwetsbare bosgebieden, op geur- en geluidsoverlast bij nabij de inrichting gelegen woningen en op de cumulatie van milieugevolgen met die van andere inrichtingen in de omgeving.

1.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het derde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, de categorieën van besluiten aangewezen bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt (hierna: m.e.r.-plicht).

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt (hierna: m.e.r.-beoordelingsplicht).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge het tweede lid worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

1.2. Het Besluit milieueffectrapportage is bij Besluit van 21 februari 2011, Stb. 102, in werking getreden op 1 april 2011, gewijzigd.

Bij deze wijziging is in categorie D.14 van de bijlage de oprichting van een installatie voor het houden van meer dan 5.000 pelsdieren opgenomen. Met het in artikel IV van het Besluit van 21 februari 2011 neergelegde overgangsrecht is niet beoogd de wijzigingen onmiddellijke werking te laten hebben voor gevallen waarin de activiteit door het bevoegd gezag niet als m.e.r-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig was aangemerkt omdat de activiteit niet was opgenomen in de onderdelen C of D van de bijlage. (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2012 in zaak nr. 201105329/1/A4 en de uitspraak van de voorzitter van 27 oktober 2011 in zaak nr. 201107379/2/H4, www.raadvanstate.nl, ten aanzien van de wijziging van drempelwaarden). Vast staat dat de aanvraag waarop het thans bestreden besluit is genomen vóór 1 april 2011 is ingediend. De vraag of een m.e.r.-plicht of een m.e.r-beoordelingsplicht bestond moet daarom worden beantwoord aan de hand van het Besluit milieueffectrapportage zoals dat luidde vóór die datum.

1.3. Het houden van pelsdieren was in het Besluit milieueffectrapportage, zoals dat luidde vóór 1 april 2011, niet aangewezen als m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, zodat in zoverre geen m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht bestond.

1.4. Het door [appellant] en anderen genoemde arrest van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009 heeft geen betrekking op activiteiten die in het Besluit milieueffectrapportage of de richtlijn zijn genoemd. In bijlage II, onder 1e, van de richtlijn zijn intensieve veeteeltbedrijven aangemerkt als project waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201007705/1/M2; www.raadvanstate.nl) volgt uit de richtlijn dat voor zover een inrichting als intensief veeteeltbedrijf moet worden aangemerkt, dient te worden beoordeeld of een m.e.r.-beoordeling moet worden gemaakt.

Het college heeft niet onderzocht of de bij het bestreden besluit vergunde nertsenhouderij moet worden aangemerkt als intensief veeteeltbedrijf in de zin van bijlage II, onder 1e, van de richtlijn. Gelet hierop kon het college niet zonder meer aannemen dat voor de bij het bestreden besluit vergunde inrichting geen m.e.r.-beoordeling behoefde te worden gemaakt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van die wet niet deugdelijk gemotiveerd.

De beroepsgrond slaagt.

2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Gelet op de aard van het gebrek komt de Afdeling, behoudens hetgeen onder 3 is overwogen, niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden. Verder ziet de Afdeling, gelet op de aard van het gebrek, geen aanleiding om, zoals door [vergunninghoudster] is verzocht, een bestuurlijke lus toe te passen.

3. Met het oog op een nieuw te nemen besluit op de aanvraag overweegt de Afdeling het volgende.

Op grond van het akoestisch rapport van Cauberg-Huygen van 2 juni 2009 kan worden geconcludeerd dat de geluidgrenswaarde van 45 dB(A) voor de nachtperiode wordt overschreden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het akoestisch rapport van Cauberg-Huygen van 7 februari 2011 blijkt dat de in vergunningvoorschrift 6.1 opgenomen geluidgrenswaarden wél kunnen worden nageleefd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat bij de berekening van de geluidbelasting in het akoestisch rapport van 2 juni 2009 is uitgegaan van een onjuist emissiepunt voor de ventilatoren van de chemische luchtwassers en dat deze omissie in het akoestisch rapport van 7 februari 2011 is hersteld. In aanmerking genomen dat dit niet in het bestreden besluit of in het akoestisch rapport van 7 februari 2011 is vermeld en toegelicht, is het onduidelijk of de in voorschrift 6.1 gestelde grenswaarden kunnen worden nageleefd.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 5 juni 2012, kenmerk WM/3725-203107;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

190-720.