Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201110242/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2010 heeft de burgemeester een aanvraag van [verzoeker] om afgifte van een Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/81

Uitspraak

201110242/2/A3.

Datum uitspraak: 5 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 9 augustus 2011 in zaak nr. 11/558 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de burgemeester van Skarsterlân.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2010 heeft de burgemeester een aanvraag van [verzoeker] om afgifte van een Nederlandse identiteitskaart (hierna: NIK) niet in behandeling genomen.

Bij brief van 1 februari 2011 heeft [verzoeker] daartegen bezwaar gemaakt en de burgemeester verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb.

De burgemeester heeft met dat verzoek ingestemd en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de rechtbank.

Bij uitspraak van 9 augustus 2011 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van de Afdeling van 28 september 2012 in zaak nr. 201110242/1/A3 heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op een aantal vragen. Deze vragen hebben onder meer betrekking op de toepasselijkheid van Verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten, zoals gewijzigd door de Verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2009 (hierna: de Verordening) op door de lidstaten aan hun onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de NIK, ongeacht hun geldigheidsduur en ongeacht de mogelijkheden om deze als reisdocument te gebruiken en op de geldigheid van artikel 1, tweede lid, van de Verordening. De Afdeling heeft de behandeling van het hoger beroep geschorst tot het Hof uitspraak heeft gedaan en iedere verdere beslissing aangehouden.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2013, waar [verzoeker], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag, en H.A. Akse, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] heeft verzocht bij wijze van voorlopige voorziening de burgemeester op de dragen hem een NIK af te geven, zonder dat hij daarbij twee vingerafdrukken behoeft af te staan voor opslag op een chip op de NIK en zonder dat hij daarbij vier vingerafdrukken behoeft af te staan voor opslag in een centraal en decentraal register. Hij heeft belang bij de spoedige afgifte van een NIK, omdat hij in onderhandeling is met een potentiële werkgever over een arbeidsovereenkomst. Hij kan bij die werkgever mogelijk al op 1 december 2013 in dienst treden, maar dient daarvoor wel een NIK of nationaal paspoort over te leggen. [verzoeker] betoogt dat het niet afgeven van een NIK zoals hij wenst, schending oplevert van artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (hierna: IVESCR), waarin het recht op arbeid is vervat. [verzoeker] verwijst voorts naar het voorstel van wet waarbij de verplichting om vingerafdrukken af te staan voor het afgeven van een NIK wordt geschrapt uit de Paspoortwet (Kamerstukken II 2013/13, 33 440 (R 1990), nr. 2).

2.1. Ingevolge artikel 28a, zesde lid, gelezen in verbinding met artikel 10, derde lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (hierna: PUN) wordt een NIK zonder vingerafdrukken slechts verstrekt in geval het fysiek dan wel als gevolg van een tijdelijke verhindering onmogelijk is om van de aanvrager te verlangen dat bij hem op het moment van het indienen van de aanvraag vier vingerafdrukken worden opgenomen. Het is niet fysiek onmogelijk van [verzoeker] vingerafdrukken af te nemen. Voorts kunnen zijn bezwaren over de veiligheid van de opslag van vingerafdrukken en het risico van functieverschuiving en gegevenskoppeling, die hij in de bodemprocedure naar voren heeft gebracht, niet worden aangemerkt als een tijdelijke verhindering, nu zijn bezwaren blijvend zijn, zodat [verzoeker] niet voor een dergelijke NIK in aanmerking komt. Voor de door hem gestelde gelijkstelling tussen gewetensbezwaren en fysieke onmogelijkheid bestaat, gelet op de wetsgeschiedenis, geen aanleiding.

2.2. In de verwijzingsuitspraak van de Afdeling in zaak nr. 201110242/1/A3 heeft de Afdeling aan het Hof gevraagd of de Verordening van toepassing is op door de lidstaten aan hun onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de NIK, ongeacht hun geldigheidsduur en ongeacht de mogelijkheden om deze als reisdocument te gebruiken. Voor zover die vraag bevestigend zou worden beantwoord, geldt het volgende.

Voor zover het verzoek van [verzoeker] erop neerkomt dat de uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Verordening zou moeten worden opgeschort, wordt het volgende overwogen.

In het arrest van het Hof van 21 februari 1991 in de gevoegde zaken nrs. C-143/88 en C-92/89 (Zuckerfabrik; www.curia.europa.eu) is onder punt 33 overwogen dat opschorting van de tenuitvoerlegging van een op een gemeenschapsverordening gebaseerde nationale bestuurshandeling door een nationale rechter slechts mag worden toegestaan:

— indien die rechter ernstige twijfel omtrent de geldigheid van de gemeenschapsverordening koestert en hij, wanneer de vraag betreffende de geldigheid van de betwiste handeling nog niet aan het Hof is voorgelegd, deze vraag zelf verwijst;

— indien de zaak spoedeisend is en voor de verzoeker ernstige en onherstelbare schade dreigt; en

— indien die rechter naar behoren rekening houdt met het belang van de Gemeenschap.

In het arrest van het Hof van 9 november 1995 in zaak nr. C-465/93 (Atlanta Fruchthandelsgesellschaft; www.curia.europa.eu) is onder de punten 35 tot en met 37 het volgende overwogen: "In het arrest Zuckerfabrik (…) heeft het Hof geoordeeld, dat voorlopige maatregelen slechts kunnen worden getroffen, wanneer de door de verzoeker aangevoerde feiten en voorgedragen middelen bij de nationale rechter de overtuiging doen postvatten, dat ernstige twijfels bestaan omtrent de geldigheid van de gemeenschapsverordening waarop de bestreden bestuurshandeling is gebaseerd. Alleen de mogelijkheid van een — aan het Hof voorbehouden — ongeldigverklaring kan immers de toewijzing van een verzoek om opschorting rechtvaardigen.

Deze voorwaarde houdt in, dat de nationale rechter zich er niet toe mag beperken het Hof om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de verordening te verzoeken, doch dat hij op het ogenblik waarop hij de maatregel in kort geding treft, moet aangeven waarom hij van oordeel is dat het Hof de ongeldigheid van die verordening zal vaststellen.

Daarbij moet de nationale rechter rekening houden met de omvang van de beoordelingsmarge die volgens de rechtspraak van het Hof naar gelang van de betrokken sector aan de gemeenschapsinstellingen moet worden gelaten."

2.3. Uit de verwijzingsuitspraak in zaak nr. 201110242/1/A3 volgt dat de reden van het verzoek erin is gelegen dat het de Afdeling op voorhand niet duidelijk is wat als identiteitskaart in de zin van de Verordening moet worden beschouwd. Verder volgt uit die verwijzingsuitspraak en die van 28 september 2012 in zaak nr. 201205423/1/A3, waarin de motivering van een aantal vragen aan het Hof is vervat, dat de reden van het verzoek erin is gelegen dat het de Afdeling op voorhand niet duidelijk is of de beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verwerking van biometrische kenmerken, zoals vingerafdrukken, in het opslagmedium op het paspoort en in een centraal en decentraal systeem evenredig is in verhouding tot het te beschermen belang dat is gelegen in het voorkomen van misbruik van paspoorten en reisdocumenten. Uit voornoemde uitspraken volgt dat de twijfel die bij de Afdeling bestaat over toepasselijkheid van de Verordening op de NIK en de geldigheid van artikel 1, tweede lid, van de Verordening niet dermate ernstig is dat bij de voorzitter van de Afdeling het oordeel bestaat dat het Hof zal vaststellen dat die bepaling ongeldig is. Hier komt bij dat het Hof in zijn arrest van 17 oktober 2013 in zaak nr. C-291/12 (www.curia.europa.eu), waarin het een vergelijkbare vraag over de geldigheid van artikel 1, tweede lid, van de Verordening heeft beantwoord, niet heeft geoordeeld dat die bepaling ongeldig is. Hierom bestaat geen aanleiding de uitvoering van die bepaling op te schorten.

2.4. Indien het Hof de vraag, bedoeld in overweging 2.2, ontkennend zou beantwoorden, geldt dat voorshands geen twijfel bestaat over de geldigheid van de bepalingen in de Paspoortuitvoeringsregeling en de Paspoortwet. Dat thans een voorstel van wet ter behandeling bij de Eerste Kamer ligt waarmee de verplichting tot afgifte van vingerafdrukken voor een NIK wordt geschrapt, leidt niet tot een ander oordeel. Daarmee is immers niet direct de onrechtmatigheid van die verplichting gegeven. Voorts bestaat geen aanleiding vooruit te lopen op de behandeling van dat voorstel door het treffen van de door [verzoeker] gevraagde voorlopige voorziening. De uitkomst van de wetgevingsprocedure is immers per definitie onzeker. Daarnaast zou toewijzing leiden tot strijd met de huidige wettelijke bepalingen. Ook de verwijzing naar artikel 6 van het IVESCR leidt naar voorlopig oordeel niet tot een andere uitkomst.

3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Reuveny

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013

622.