Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2310

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201204563/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:BW0407, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2010 heeft de minister een verzoek van Almere Distributie en Opslag om vergoeding van nadeel als gevolg van het afsluiten van de Hollandse Brug voor vrachtverkeer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/18
BR 2014/33

Uitspraak

201204563/1/A2.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Almere Distributie en Opslag B.V., gevestigd te Almere,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 28 maart 2012 in zaak nr. 11/1822 in het geding tussen:

Almere Distributie en Opslag

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2010 heeft de minister een verzoek van Almere Distributie en Opslag om vergoeding van nadeel als gevolg van het afsluiten van de Hollandse Brug voor vrachtverkeer afgewezen.

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft de minister het door Almere Distributie en Opslag daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2012 heeft de rechtbank het door Almere Distributie en Opslag daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Almere Distributie en Opslag hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Almere Distributie en Opslag heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2013, waar Almere Distributie en Opslag, vertegenwoordigd door haar [directeur], en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.A. Spee en mr. J.S. Procee, advocaten te Den Haag, en door A. Stroux en A. den Boer, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 5 juni 2013 in zaak 201204563/1/T1/A2 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de minister opgedragen binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 9 september 2013 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak het besluit van 13 juli 2011 ingetrokken, het bezwaar tegen het besluit van 15 december 2010 alsnog gegrond verklaard, het besluit van 15 december 2010 herroepen en aan Almere Distributie en Opslag alsnog een vergoeding toegekend van € 60.306,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 september 2007 tot en met de dag van algehele voldoening.

Bij brief van 25 september 2013 heeft Almere Distributie en Opslag een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat gelet op de buitengewone aspecten van de afsluiting van de Hollandse Brug het redelijk is dat de minister een gedeelte van de schade, geleden door Almere Distributie en Opslag, vergoedt. Voor het bepalen van de hoogte daarvan zal de kortingsmethode kunnen worden gehanteerd. Op het schadebedrag van € 86.151,00, zoals dit is vastgesteld in het advies van de schadecommissie van 16 november 2010 op pagina’s 20 en 21, kan een korting worden toegepast die in verhouding staat tot een periode van afsluiting wegens regulier onderhoud aan de brug waarmee Almere Distributie en Opslag als transportondernemer van tijd tot tijd rekening moet houden. De voor vergoeding in aanmerking komende schade dient in een nieuw besluit te worden toegekend.

2. Gelet op dit oordeel van de Afdeling in de tussenuitspraak, is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 juli 2011 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

3. Bij besluit van 9 juli 2013 heeft de minister ter uitvoering van de tussenuitspraak aan Almere Distributie en Opslag alsnog een tegemoetkoming in de geleden schade toegekend van € 60.306,00.

De minister heeft aan het besluit van 9 juli 2013 ten grondslag gelegd dat het groot onderhoud aan de Hollandse Brug oorspronkelijk was gepland vanaf september 2006 tot juni 2007. Die werkzaamheden zouden weliswaar niet tot afsluiting van de Hollandse Brug hebben geleid, maar wel tot aanzienlijke vertraging. De minister schat deze vertraging, inclusief de gebruikelijke filedruk, op gemiddeld 15-20 minuten per rit gedurende minimaal 7 maanden. Die vertraging heeft de minister vervolgens afgezet tegen de vertraging van 25-30 minuten per rit gedurende ongeveer 14 maanden als gevolg van de afsluiting van de Hollandse Brug. Gedurende de helft van de tijd zou Almere Distributie en Opslag de helft van de vertraging die zij heeft opgelopen door afsluiting van de Hollandse Brug ook hebben gehad bij regulier onderhoud. De minister acht derhalve een korting van 25% op het schadebedrag redelijk.

Daarnaast acht de minister een aanvullende korting van 5% gerechtvaardigd. Daartoe stelt hij dat Almere Distributie en Opslag zich gevestigd heeft in Almere, terwijl haar klanten vooral in de randstad zijn gevestigd. Daarmee heeft zij het risico geaccepteerd dat zij bij onderhoud van de Hollandse Brug hinder zal ondervinden. Voorts gaat het om tijdelijke schade, is de onderneming niet onbereikbaar geweest en heeft Almere Distributie en Opslag wegens de lange duur van de afsluiting de mogelijkheid gehad om haar bedrijfsvoering aan te passen. Tot slot heeft de afsluiting ook voordeel gehad, omdat de Hollandse Brug tijdens de werkzaamheden is verbreed om een extra rijstrook in noordelijke richting mogelijk te maken.

4. Almere Distributie en Opslag betoogt dat de minister van een onjuist schadebedrag is uitgegaan en dat de schade in totaal € 115.833,00 bedraagt.

4.1. Dit betoogt treft geen doel. Uit de tussenuitspraak volgt dat de minister bij toepassing van de kortingsmethode dient uit te gaan van het schadebedrag van € 86.151,00, zoals dat is vastgesteld in het advies van de schadecommissie van 16 november 2010 op pagina’s 20 en 21.

5. Almere Distributie en Opslag kan zich vinden in de door de minister gehanteerde korting van 25% vanwege regulier onderhoud, maar betoogt dat de minister ten onrechte nog een extra korting van 5% heeft toegepast.

5.1. Uit de tussenuitspraak volgt dat de Afdeling in dit geval grond aanwezig acht voor toepassing van een korting wegens normaal ondernemersrisico. Almere Distributie en Opslag exploiteert een transportbedrijf en is daarmee afhankelijk van de infrastructuur. Hieraan is inherent dat, naast het profiteren van een goed onderhouden wegennet, soms nadeel wordt ondervonden door de uitvoering van verkeersmaatregelen en wegwerkzaamheden. De locatie van de onderneming, de tijdelijkheid van de schade en de mogelijkheid om gedurende de afsluiting om te rijden zijn op zichzelf omstandigheden die aanleiding vormen voor een korting op de door Almere Distributie en Opslag geleden schade wegens normaal ondernemersrisico, maar daarmee is een extra korting van 5% niet toereikend gemotiveerd. Voor zover de minister ter onderbouwing van de extra korting van 5% voorts heeft aangevoerd dat Almere Distributie en Opslag wegens de lange duur van de werkzaamheden maatregelen heeft kunnen nemen om haar bedrijfsvoering tot op zekere hoogte aan te passen aan de ontstane situatie, is van belang dat Almere Distributie en Opslag dit eerder in de procedure gemotiveerd heeft bestreden en dat de minister in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre Almere Distributie en Opslag in staat is geweest schadebeperkende maatregelen te nemen.

5.2. Voor zover de minister voorts stelt dat een extra korting van 5% in de rede ligt, omdat de werkzaamheden aan de Hollandse Brug niet alleen schade tot gevolg hebben gehad, maar tevens leiden tot voordeel, omdat tijdens die werkzaamheden ook de aanleg van een extra rijstrook in noordelijke richting mogelijk is gemaakt, wordt als volgt overwogen. Als een toekomstig voordeel op geld waardeerbaar is en in voldoende mate vaststaat dat het de vermogenspositie van de benadeelde zal beïnvloeden, dan kan dit voordeel bij de vaststelling van de schadevergoeding worden betrokken. Anders dan Almere Distributie en Opslag betoogt, staat hieraan niet in de weg dat dit voordeel ook aan andere gebruikers van de Hollandse Brug toekomt. Van belang is wel dat het alleen in algemene zin veronderstellen van de mogelijkheid niet volstaat om een korting wegens voordeelverrekening toe te passen. Ook heeft de minister op geen enkele wijze gemotiveerd dat dit voordeel op 5% van de totale schade kan worden gesteld.

Het betoog slaagt.

6. Het beroep tegen het besluit van 9 september 2013 is gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd, uitsluitend voor zover de minister daarin een extra korting van 5% op de schade van € 86.151,00 heeft toegepast.

De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, zelf in de zaak te voorzien. Nu er geen grond is voor toepassing van een extra korting zal de Afdeling bepalen dat de minister aan Almere Distributie en Opslag alsnog € 4.307,55, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2007, de datum waarop de minister de aanvraag heeft ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, betaalt. De Afdeling zal tevens bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.

7. De Door Almere Distributie en Opslag gestelde kosten voor deskundige bijstand komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat hiervoor in redelijkheid kosten zijn gemaakt.

8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 28 maart 2012 in zaak nr. 11/1822;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 13 juli 2011, kenmerk RWS/DIJG-2011/2399, gegrond;

IV. vernietigt dit besluit;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2013, kenmerk RWS-2013/46403, gegrond;

VI. vernietigt dit besluit, voor zover de minister daarin een extra korting van 5% heeft toegepast;

VII. bepaalt dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Almere Distributie en Opslag B.V. aanvullend € 4.307,55 aan nadeelcompensatie betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2007 tot aan de dag van algehele voldoening;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IX. gelast dat de minister van Infrastructuur en Milieu aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Almere Distributie en Opslag B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

299.