Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2305

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201309586/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft het college [verzoekster] op straffe van een dwangsom gelast uiterlijk op 1 oktober 2013 een zuil van 7 m hoog met reclame, het welkomstbord, het spandoek met acties van zelftanken, het aardgasbord van de CNG, het bord BK-autogas en het spandoek BK-autogas bij het tankstation Maarsseveen B.V. aan de [locatie] te Maarssen te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309586/2/A3.

Datum uitspraak: 29 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) hangende het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster], gevestigd te Maarssen,

verzoekster,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 23 september 2013 in de zaken nrs. 13/3992 en 13/4419 in het geding tussen:

[verzoekster]

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft het college [verzoekster] op straffe van een dwangsom gelast uiterlijk op 1 oktober 2013 een zuil van 7 m hoog met reclame, het welkomstbord, het spandoek met acties van zelftanken, het aardgasbord van de CNG, het bord BK-autogas en het spandoek BK-autogas bij het tankstation Maarsseveen B.V. aan de [locatie] te Maarssen te verwijderen en verwijderd te houden.

Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft het college ingestemd met het verzoek om rechtstreeks beroep op de administratieve rechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb.

Bij uitspraak van 23 september 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tevens heeft hij daarbij bij voorlopige voorziening voornoemd besluit geschorst voor zover het de daarin bepaalde begunstigingstermijn betreft en die termijn verlengd tot 1 januari 2014.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2013, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gevolmachtigd directeur], bijgestaan door mr. J.C. Moree, advocaat te Poortugaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Cappelle, mr. H.S. Heite en D. Corstanje, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoekster] heeft verzocht om de werking van het in beroep bestreden besluit te schorsen tot acht weken nadat uitspraak is gedaan op haar hoger beroep. Volgens haar dienen voor het uitvoeren van de last kostbare sloopwerkzaamheden te worden uitgevoerd, omdat de zuil met reclame rust op een onderheide constructie. [verzoekster] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de last ten onrechte is opgelegd. Het besluit van 26 juli 2013 is onjuist, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat daadwerkelijk een controle bij het tankstation heeft plaatsgevonden voordat de last werd opgelegd. Het tankstation is verplaatst van een andere plek naar de huidige nadat afspraken zijn gemaakt met onder meer het college. Die afspraken zijn vastgelegd in onder meer een convenant van 6 juni 2003. [verzoekster] betoogt dat de objecten waarop de last ziet, zijn geplaatst in overeenstemming met voormelde afspraken. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat een bouwvergunning is verleend voor het tankstation. Bij de aanvraag van die vergunning waren die objecten vermeld. Het college diende voor die bouwvergunning een vrijstelling te verlenen. Daarbij is onder meer getoetst aan cultuurhistorische aspecten. Het college was krachtens artikel 3, derde lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 (hierna: Vnl) bevoegd om ontheffing te verlenen van het verbod op het plaatsen van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen dat is vervat in artikel 2. De verklaring van geen bezwaar die het college heeft verleend impliceert dat evenmin bezwaar bestond tegen de objecten waar de last op ziet, aldus [verzoekster]. Daarnaast heeft het college niet vermeld dat zij een ontheffing als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Vnl diende aan te vragen, zodat zij erop mocht vertrouwen dat die reeds in de vrijstellingsprocedure was betrokken of automatisch daarin zou worden meegenomen. De objecten waarop de last ziet, waren daarnaast reeds vanaf 2005 aanwezig. Het college heeft al die tijd niet handhavend opgetreden. Verder heeft het college met het besluit van 26 juli 2013 gehandeld in strijd met het beginsel van "fair play". Daarnaast is ten onrechte gesteld dat legalisering niet mogelijk is, aldus [verzoekster]. Voorts heeft de voorzieningenrechter miskend dat de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 (hierna: Lsv) onverbindend is, nu artikel 3 van die verordening in strijd is met artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast bevat artikel 3 van de Lsv geen verbod op het houden van reclameobjecten. De reclameobjecten waarop het besluit van 26 juli 2013 ziet, zijn geplaatst voor de inwerkingtreding van die verordening, aldus [verzoekster]. Zij heeft aldus geen overtreding begaan. Ook was de Vnl niet aangepast aan de Wabo, zodat het verbod dat in artikel 2 van de Vnl was vervat geruime tijd geen werking heeft gehad. Voorts is het evenredigheidsbeginsel geschonden, omdat de kosten van de plaatsing van de zuil met reclame hoog waren en de zuil een levensduur heeft van 50 jaar. Het verwijderen van de zuil is kapitaalvernietiging. Het verwijderen van de objecten waarop de last ziet, leidt daarnaast tot het verlies van klanten. De onevenredige gevolgen van de last zijn in het besluit van 26 juli 2013 niet afgewogen tegen de met dat besluit te dienen doelen.

2.1. In hetgeen [verzoekster] betoogt, bestaat naar voorlopig oordeel geen grond om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de voorzieningenrechter over de rechtmatigheid van het besluit van 26 juli 2013. De vraag of een controle heeft plaatsgevonden voordat dat besluit is genomen, staat los van de vraag of de objecten waarop dat besluit ziet al dan niet bij het tankstation aanwezig zijn. [verzoekster] heeft niet ontkend dat dit het geval is. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat [verzoekster] inmiddels enkele objecten waarop de last ziet, reeds heeft verwijderd.

Voorshands bestaat geen grond voor het oordeel dat artikel 3 van de Lsv in strijd is met artikel 2.2 van de Wabo of dat de Vnl daarmee in strijd was. Artikel 2.2 van de Wabo is een coördinatiebepaling. Uit die bepaling volgt niet dat in een provinciale verordening geen regels mogen worden gesteld over het aanbrengen van onder meer borden en informatiezuilen. [verzoekster] heeft voorts niet gemotiveerd waarom de Lsv in strijd zou zijn met de Wet ruimtelijke ordening.

[verzoekster] beschikt niet over een ontheffing als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Vnl. Zij kan daarnaast geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de omstandigheid dat de objecten waarop de last ziet reeds jaren bij het tankstation zijn geplaatst (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2010 in zaak nr. 201001026/1/H3). Ook voor het oordeel dat de last onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen bestaat naar voorlopig oordeel geen grond. [verzoekster] heeft naar voorlopig oordeel niet aannemelijk gemaakt dat het verwijderen van de objecten waarop de last ziet tot verlies van klanten leidt. Voorts heeft zij met het plaatsen van de zuil zonder daarvoor over de benodigde ontheffing te beschikken het risico genomen dat daartegen handhavend zou worden opgetreden.

3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Reuveny

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013

622.