Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2289

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201309870/1/A3 en 201309870/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2013 heeft de staatssecretaris geweigerd [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog) te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309870/1/A3 en 201309870/2/A3.

Datum uitspraak: 29 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 16 september 2013 in zaak nr. 13/3183 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2013 heeft de staatssecretaris geweigerd [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: vog) te verlenen.

Bij besluit van 6 juni 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 november 2013, waar [appellant], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een vog een verklaring van de staatssecretaris dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de staatssecretaris de afgifte van een vog, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, kan de staatssecretaris bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de vog van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens.

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, 5409; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de beoordeling van een vog-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS). Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een vog afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een vog kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen. Voor de terugkijktermijn zijn van belang:

1. de periode waarover wordt teruggekeken en

2. de uitgangspunten om te bepalen of een justitieel gegeven binnen de van toepassing zijnde terugkijktermijn valt.

Volgens paragraaf 3.1.2, aanhef en onder a, wordt om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg als uitgangspunt genomen.

Volgens paragraaf 3.2, getiteld "Het objectieve criterium", wordt de afgifte van de vog in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de vog is aangevraagd. Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens;

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid.

Volgens paragraaf 3.2.1 worden de relevante justitiële gegevens die voorkomen in het JDS op naam van de aanvrager meegewogen bij de beoordeling.

Volgens paragraaf 3.2.2 toetst de staatssecretaris of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de vog wordt aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2.4 bepaalt de relatie tussen het justitiële gegeven en de functie, taak of bezigheid die de aanvrager gaat vervullen of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid. Een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid kan voorts bestaan op grond van:

- de aard van het delict dan wel

- de locatie waar de werkzaamheden worden verricht.

Volgens paragraaf 3.3, getiteld "Het subjectieve criterium", kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de vog zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de vog afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de vog. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een vog kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

3. [appellant] heeft de staatssecretaris verzocht hem een vog te verlenen ten behoeve van zijn aanvraag van een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V.

De staatssecretaris heeft aan zijn weigering [appellant] een vog te verlenen ten grondslag gelegd dat [appellant] op 15 maart 2011 in eerste aanleg is veroordeeld ter zake van overtreding van artikel 302, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van strafrecht, te weten poging tot zware mishandeling. Daarbij is hem een werkstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis opgelegd. Deze veroordeling heeft in hoger beroep stand gehouden. De veroordeling in hoger beroep is op 18 december 2012 onherroepelijk geworden.

4. Het betoog van [appellant], dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat hij ten onrechte is veroordeeld ter zake van poging tot zware mishandeling en dat hij tevens ten onrechte in 2002 en 2004 is veroordeeld voor strafbare feiten, faalt. De staatssecretaris mag afgaan op de justitiële gegevens zoals die in het JDS zijn vastgelegd en mag zijn oordeel daarop baseren.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich in dit geval bijzondere omstandigheden voordoen, die ertoe leiden dat de staatssecretaris hem de vog had dienen te verlenen. Als gevolg van de weigering hem een vog te verlenen kan hij geen taxibedrijf beginnen en geen baan als taxichauffeur aannemen. Ook ander chauffeurswerk kan hij niet vinden, mede wegens zijn leeftijd. Hij komt niet in aanmerking voor een uitkering, maar dient wel een hypotheek af te betalen. Daarnaast is hij gescheiden en heeft hij twee kinderen. Hij blijft slechts voor die kinderen in Nederland en wenst, nadat zij beiden 18 jaar zijn geworden, terug te keren naar Spanje, waar hij vandaan komt, aldus [appellant].

5.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de omstandigheid dat [appellant] als gevolg van de weigering geen chauffeurswerkzaamheden kan verrichten, een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien gevolg van die weigering en om die reden geen bijzondere omstandigheid, in verband waarmee de staatssecretaris toch tot afgifte van de vog heeft moeten besluiten (uitspraak van de voorzitter van de Afdeling van 11 januari 2013 in de zaken nrs. 201211357/1/A3 en 201211357/2/A3).

De rechtbank heeft terecht ook de overige omstandigheden die [appellant] heeft genoemd niet als dergelijke bijzondere omstandigheden aangemerkt. Dat hij slechts voor zijn kinderen in Nederland blijft en wenst terug te keren naar Spanje nadat zij beiden achttien jaar zijn, is zijn persoonlijke keuze en houdt geen verband met de weigering hem een vog te verlenen. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] te kennen gegeven dat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet omdat hij zelfstandig ondernemer is en dat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand omdat hij daarvoor een te groot eigen vermogen heeft. De omstandigheid dat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering is dus geen gevolg van de weigering hem een vog te verlenen. Zo [appellant] als gevolg van de weigering hem een vog te verlenen afhankelijk wordt van een bijstandsuitkering, is dat een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien gevolg van die weigering en om die reden geen bijzondere omstandigheid, in verband waarmee de staatssecretaris toch tot afgifte van de vog heeft moeten besluiten (uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200800916/1).

Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd bij zijn beoordeling had moeten betrekken, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheden waaronder het strafbare feit zijn gepleegd pas relevant zijn indien de staatssecretaris niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel bestaat over de vraag of een vog kan worden verleend. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit niet het geval is.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Reuveny

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013

622.