Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2284

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201304520/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304520/1/V1.

Datum uitspraak: 29 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Maastricht, van 23 april 2013 in zaken nrs. 12/28566 en 12/34166 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 april 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) is een advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) een deskundigenadvies aan de staatssecretaris ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. De staatssecretaris moet zich, indien hij een advies van het BMA, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

3. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat niet inzichtelijk is waarom het BMA in het advies van 5 juni 2012 (hierna: het BMA-advies) reizen mogelijk acht wanneer de vreemdeling tijdens de reis wordt begeleid door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en fysieke overdracht van de vreemdeling bij terugkeer naar haar land van herkomst niet noodzakelijk acht en dat de aanvullende nota van het BMA van 13 augustus 2012 (hierna: de BMA-nota) niet aan het vorenstaande afdoet.

De staatssecretaris voert aan dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat in de BMA-nota is uiteengezet waarom fysieke overdracht van de vreemdeling niet is vereist en dat de omstandigheid dat tussen het BMA en de behandelaars van de vreemdeling een verschil van inzicht bestaat, niet betekent dat het BMA-advies en de BMA-nota onvoldoende inzichtelijk zijn.

3.1. In het BMA-advies is vermeld dat de vreemdeling in staat is te reizen, mits zij tijdens de reis wordt begeleid door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige.

In de brief van de behandelaars van de vreemdeling van 3 juli 2012 (hierna: de brief van 3 juli 2012) is vermeld dat geen enkele luchtvaartmaatschappij de vreemdeling onder deze omstandigheden zou willen vervoeren gezien het extreme risico wat ze daarmee nemen. De behandelaars stellen uitdrukkelijk dat de vreemdeling niet kan reizen. De vreemdeling heeft zulke ernstige klachten dat zij onmiddellijke zorg nodig heeft en gezien de aard van de behandeling dient een fysieke overdracht plaats te vinden. Bij extreme stress reageert de vreemdeling met toenemende somberheid en suïcidaliteit. Zonder hulpsysteem/behandeling onderneemt zij gerichte suïcidepogingen.

In de BMA-nota is vermeld dat het BMA-advies na bestudering van de brief van 3 juli 2012 gehandhaafd kan blijven en dat de vreemdeling ambulant wordt behandeld, zodat niet in te zien valt waarom zij zich na de reis niet ook in het land van herkomst zelf zou kunnen melden bij een behandelaar.

3.2. De brief van 3 juli 2012 is bij de BMA-nota betrokken. De behandelaars en het BMA zijn bij het beoordelen van de medische situatie van de vreemdeling van dezelfde medische gegevens uitgegaan. Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 16 augustus 2013 in zaak nr. 201210703/1/V4) dat een verschil van inzicht tussen de behandelaar en het BMA over de uit die gegevens te trekken conclusie op zichzelf niet betekent dat het door het BMA verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Gezien hetgeen onder 3.1 is vermeld, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het BMA inzichtelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling, mits zij wordt begeleid door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, in staat is om te reizen en dat haar medische situatie niet zodanig is dat fysieke overdracht is vereist. De voorzieningenrechter heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het BMA-advies en de BMA-nota in zoverre niet inzichtelijk zijn.

De grief slaagt.

4. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het BMA, gezien de brief van 3 juli 2012 en de brief van de behandelaars van de vreemdeling van 19 november 2012 (hierna tezamen: de brieven van 3 juli en 19 november 2012), in het BMA-advies en de BMA-nota heeft moeten ingaan op het vereiste dat behandeling in een omgeving dient plaats te vinden die door de vreemdeling wordt ervaren als veilig.

De staatssecretaris voert aan dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de behandelaars in de brieven van 3 juli en 19 november 2012 vooral in algemene zin op het belang van een veilige behandelomgeving zijn ingegaan en hun oordeel niet hebben toegespitst op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling en de daarop betrekking hebbende specifieke omstandigheden.

4.1. Bij uitspraak van 20 december 2011 in zaak nr. 201105916/1/V1 heeft de Afdeling overwogen dat uit de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG) volgt (onder meer de beslissing van 27 april 2010, in zaak nr. C2009/105 (JV 2010/262) en de beslissing van 15 maart 2011, in zaak nr. C2010/126 (JV 2011/241)), dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de staatssecretaris omtrent de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent het BMA wel kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

4.2. In de brieven van 3 juli en 19 november 2012 hebben de behandelaars hun conclusie dat de vreemdeling de omgeving in Armenië als extreem onveilig ervaart en deze daarom voor haar niet als behandelomgeving kan worden ingezet, niet nader toegespitst op het specifieke ziektebeeld van de vreemdeling en het, in verband met de wijze waarop haar klachten zijn ontstaan, te verwachten verloop van een voort te zetten behandeling in Armenië. Zo hebben de behandelaars niet geconcretiseerd waarom behandeling in geheel Armenië niet mogelijk zou zijn en op welke wijze de gebeurtenissen die zich in het verleden zouden hebben voorgedaan in de weg staan aan een effectieve voortzetting van de behandeling aldaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 oktober 2013 in zaak nr. 201212033/1/V3) is volgens vaste jurisprudentie van het CTG hiertoe onvoldoende dat de vreemdeling in het land van herkomst traumatische ervaringen heeft opgedaan en na terugkeer de aanwezige klachten zullen verergeren. Anders dan waarvan de voorzieningenrechter in de bestreden overweging is uitgegaan, was de staatssecretaris derhalve niet gehouden het BMA te verzoeken zich over het in dit verband ingenomen standpunt van de behandelaars in de brieven van 3 juli en 19 november 2012 nader uit te laten.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 oktober 2012 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris het BMA-advies ten onrechte aan het besluit van 29 oktober 2012 ten grondslag heeft gelegd, omdat het BMA voor het antwoord op de vraag naar behandelmogelijkheden in Armenië is afgegaan op een brondocument van een anonieme bron zonder dat duidelijk is welk specialisme deze bron heeft.

6.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2005 in zaak nr. 200505188/1 (JV 2005/473) volgt dat de enkele omstandigheid dat de door het BMA geraadpleegde bronnen niet bij de staatssecretaris bekend zijn, geen grond biedt voor de conclusie dat de staatsecretaris bij de besluitvorming niet van de juistheid en volledigheid van het BMA-advies mag uitgaan.

De beroepsgrond faalt.

7. Het betoog van de vreemdeling, onder verwijzing naar de e-mail van de voorzitter van de 'Armenian Psychiatric Association' van 4 december 2012, dat de volgens de behandelaars noodzakelijk geachte EMDR-behandeling niet aanwezig is in het land van herkomst, faalt reeds omdat de vreemdeling niet heeft gestaafd dat een EMDR-behandeling noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Maastricht, van 23 april 2013 in zaak nr. 12/34166;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013

154-787.