Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2280

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201304882/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:1619, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304882/1/V6.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 april 2013 in zaak nr. 12/3564 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. W. Frouws, advocaat te Zeist, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatieperiode) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Iedere vermogenstransactie (transactie, geldboete) van € 453,78 of meer leidt tot afwijzing van het verzoek.

Indien er sprake is van een voorwaardelijk opgelegde straf waaraan een proeftijd is verbonden, moet de proeftijd zijn verstreken voordat de verzoeker in aanmerking kan komen voor naturalisatie. Als de verzoeker gedurende de proeftijd heeft voldaan aan de algemene voorwaarde dat hij niet opnieuw strafbare feiten pleegt, en de voorwaardelijk opgelegde straf dus niet alsnog ten uitvoer wordt gelegd, begint de rehabilitatietermijn (achteraf bezien) op het moment waarop de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Voorts is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd.

De Handleiding vermeldt voorts dat niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken.

3. Vaststaat dat [appellante] bij vonnis van 30 mei 2011 door de politierechter ter zake overtreding van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis, waarvan € 250,00 subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 14 juni 2011 tot 12 juni 2013.

[appellante] heeft op 13 maart 2012 een verzoek om naturalisatie ingediend en de staatssecretaris heeft bij besluit van 12 oktober 2012 de afwijzing van dit verzoek gehandhaafd. De rehabilitatietermijn was toen nog niet verstreken.

4. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellante] een gevaar voor de openbare orde vormt, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN en zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat aan [appellante], in afwijking van het geldende beleid, het Nederlanderschap moet worden verleend.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Zij heeft in dit verband aangevoerd dat de staatssecretaris geen rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd en met haar medische en psychische klachten. [appellante] heeft voorts gewezen op de omstandigheid dat zij voor het einde van de rehabilitatietermijn haar zieke moeder in Pakistan wil bezoeken en niet met haar Pakistaanse paspoort durft terug te keren. Deze omstandigheden zijn zodanig bijzonder dat handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het met de beleidsregel te dienen doel, gelet op het misdrijf dat tot de sanctie heeft geleid. Derhalve diende de staatssecretaris af te wijken van zijn beleid en haar het Nederlanderschap te verlenen, aldus [appellante].

5.1. Naar de rechtbank terecht heeft overwogen kan de omstandigheid dat [appellante] voor het einde van de rehabilitatietermijn haar zieke moeder wil bezoeken, wat daar ook van zij, niet worden aangemerkt als zodanig bijzonder dat de staatssecretaris, in afwijking van het door hem gevoerde beleid, tot de conclusie had moeten komen dat geen sprake is van ernstige vermoedens dat [appellante] een gevaar vormt voor de openbare orde en haar verzoek om naturalisatie moet worden ingewilligd. Naar de rechtbank voorts terecht heeft overwogen kunnen de door [appellante] gestelde omstandigheden die zich reeds vóór de strafrechtelijke veroordeling hebben voorgedaan en als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, waaronder haar in hoger beroep herhaalde medische en psychische klachten, evenmin als bijzonder worden aangemerkt, aangezien die omstandigheden geacht kunnen worden door de strafrechter bij diens oordeel te zijn betrokken. De bedoelde omstandigheden vormen om die reden evenmin bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

164-800.