Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2276

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201304742/5/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, derde herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304742/5/R2.

Datum uitspraak: 28 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], wonend te Ingen, gemeente Buren,

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, derde herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

[verzoekster] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 november 2013, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops en M. Bosman, en de raad, vertegenwoordigd door N.J. Stam, werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbende A] en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door [belanghebbende A] en bijgestaan door mr. W. Kattouw, en [belanghebbende C] en [belanghebbende D], vertegenwoordigd door [belanghebbende C] en bijgestaan door mr. W. Kattouw.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

1.1. Het voorliggende plan betreft een zogenoemd veegplan, en heeft betrekking op verschillende locaties in het buitengebied van de gemeente Buren, waaronder het ongenummerde perceel van [verzoekster] aan de P. van Westhrenenweg te Ingen. Het plan bevat onder meer een wijziging van het planologisch regime voor het perceel van [verzoekster], nu hieraan in het vorige plan "Buitengebied, 2e herziening" per abuis een bouwvlak was toegekend. Het voorliggende plan beoogt deze fout te herstellen door aan het perceel geen bouwvlak toe te kennen.

2. [verzoekster] wenst op haar perceel een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een paardenhouderij te vestigen. Het plan voorziet hier niet in. Het verzoek is gericht op schorsing van het plandeel aan de P. van Westhrenenweg, zodat wordt teruggevallen op het planologische regime van het vorige plan "Buitengebied, 2e herziening".

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3. De raad stelt dat het verzoek niet kan worden toegewezen, nu [verzoekster] na het verstrijken van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld en derhalve geen ontvankelijk beroep heeft.

3.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft een bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

3.2. Op 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, 2e herziening" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld. Bij uitspraak van 22 mei 2013, in zaaknr. 201205222/1/R2, heeft de Afdeling het beroep van [verzoekster] tegen dat besluit ongegrond verklaard. Nu het onderhavige plan is vastgesteld op 2 april 2013, en derhalve vóór de datum waarop de Afdeling uitspraak heeft gedaan, gaat de voorzitter er vooralsnog vanuit dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege een beroep van [verzoekster] is ontstaan tegen het onderhavige besluit. Omdat dit niet in de procedure betreffende het vorige plan aan de orde is gekomen, ziet de voorzitter aanleiding het verzoek voor het overige te behandelen.

Ten aanzien van het verzoek voor het overige

4. [verzoekster] betoogt primair dat het voorliggende plan voor wat betreft haar perceel niet in werking is getreden, omdat zij niet in de gelegenheid was binnen de beroepstermijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Zij wijst er in dit verband op dat haar perceel in de kennisgeving van het besluit niet is genoemd. Mocht het plan in zoverre wel in werking zijn getreden, dan verzoekt zij subsidiair om schorsing van het betreffende plandeel met terugwerkende kracht.

4.1. Niet in geschil is dat het onderhavige besluit op 24 april 2013 is gepubliceerd in de Staatscourant en voorts in het lokale huis-aan-huisblad en daarmee op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Dat in deze kennisgeving het perceel van [verzoekster] niet expliciet is genoemd, maakt dit niet anders. Dit betekent dat de beroepstermijn is aangevangen op 25 april 2013 en liep tot en met 5 juni 2013.

[verzoekster] heeft op 8 juli 2013, derhalve buiten de beroepstermijn, beroep tegen het besluit van 2 april 2013 ingesteld. Voorts heeft zij de voorzitter bij brief van 23 oktober 2013, ook buiten de beroepstermijn, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter overweegt dat uit artikel 8.4, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) volgt dat een tijdens de beroepstermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening de inwerkingtreding van het besluit opschort en dat de afwijzing van een verzoek met zich brengt dat dit besluit in werking treedt. Nu het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend na de beroepstermijn, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit gelet op artikel 8.4, eerste lid, van de Wro in zoverre niet in werking is getreden.

Het verzoek geeft in zoverre en ook anderszins geen reden tot schorsing van het bestreden plandeel. Gelet hierop behoeft het betoog van [verzoekster] dat het plandeel met terugwerkende kracht geschorst zou moeten worden, geen bespreking.

5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2013

647-704.