Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201304028/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304028/1/V6.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2012 (lees: 2013) in zaak nr. 12/4204 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft de minister het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 2 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.P. Heinrich, advocaat te Den Haag, is verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Daarbij geldt dat iedere taakstraf (werk- of leerstraf), ongeacht de duur daarvan en ongeacht of die straf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een andere straf dan wel in het kader van een transactievoorstel, tot afwijzing van het verzoek leidt.

Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare vormt, wordt volgens de Handleiding niet gebaseerd op zomaar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn.

Voorts is in de Handleiding vermeld dat het bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde gaat om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie ter zake van een misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan, ook niet als de sanctie zeer zwaar was, blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, wat betreft zijn toekomstige gedrag. Voor de beoordeling van een verzoek om naturalisatie is als maatstaf aangelegd dat er gedurende een periode van vier jaar, direct voorafgaande aan de indiening van het verzoek of de beslissing daarop (de zogeheten rehabilitatieperiode), geen sprake mag zijn geweest van een misdrijf, de sanctionering van een misdrijf of de tenuitvoerlegging van een dergelijke sanctie, aldus de Handleiding.

Daarnaast is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan niet met toepassing van artikel 10 van de RWN worden afgeweken.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat aan [appellant], in afwijking van het geldende beleid, het Nederlanderschap moet worden verleend. Niet in geschil is dat [appellant] gedurende de rehabilitatieperiode driemaal een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden door de door hem aangevoerde grond, met betrekking tot de motiveringsplicht van de staatssecretaris, buiten de beoordeling te laten en dat de rechtbank, door een eigen oordeel over de bijzondere omstandigheden te geven, haar positie als bestuursrechter heeft miskend.

4.1. [appellant] heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris in het besluit van 16 oktober 2012 ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt en dat de staatssecretaris zijn belangen in het geheel niet heeft genoemd.

De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit geval sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat van de in de Handleiding neergelegde richtlijnen dient te worden afgeweken. De staatssecretaris heeft de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, dat hij hier al twaalf jaar woont, de taal spreekt, een opleiding volgt en dat zijn familie is genaturaliseerd, gelet op de in de Handleiding opgenomen toelichting, niet als bijzondere omstandigheden hoeven aanmerken, aldus de rechtbank.

4.2. Uit het besluit van 16 oktober 2012 blijkt dat de staatssecretaris voormelde omstandigheden bij zijn besluitvorming heeft betrokken en heeft geconcludeerd dat deze, gelet op de hier toepasselijke regelgeving, er niet toe kunnen leiden dat aan de voorwaarde van openbare orde kan worden voorbijgegaan.

De rechtbank is met de hiervoor onder 4.1. weergegeven overweging ingegaan op de beroepsgrond over de motivering van dat besluit en heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat die motivering tekortschiet. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden vallen buiten de strekking en reikwijdte van het gevoerde beleid inzake gevaar voor de openbare orde, zodat zij daarom niet als bijzondere omstandigheden in de zin van de Handleiding kunnen worden aangemerkt.

De bewoordingen van de overweging van de rechtbank geven er voorts geen blijk van dat zij, zoals [appellant] heeft gesteld, haar positie als bestuursrechter heeft miskend.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

501-800.