Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2270

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201304003/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:1703, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304003/1/V6.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2013 in zaak nr. 12/1006 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 maart 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. A. de Raad, advocaat te Dordrecht, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. de Kock, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Uit artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) volgt dat het aan de desbetreffende verzoeker is om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en dat het aan de staatssecretaris is om te beoordelen of de identiteit en nationaliteit van de desbetreffende verzoeker met de door hem overgelegde stukken zijn komen vast te staan. De verzoeker dient in beginsel een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) en een buitenlandse geboorteakte over te leggen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 oktober 2011 in zaak nr. 201101945/1/V6) is de verlening van het Nederlanderschap, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht en is de staatssecretaris dan ook bevoegd om te eisen dat de desbetreffende verzoeker op de in de Handleiding neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont. Nu voor de verlening van het Nederlanderschap vereist is dat de desbetreffende verzoeker zijn identiteit en nationaliteit aantoont, mag van een verzoeker die stelt in dit verband in bewijsnood te verkeren worden gevergd dat hij dit aantoont.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van [appellante] niet zijn komen vast te staan. Hij heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat bewijsnood zich niet voordoet. Niet in geschil is dat [appellante] bij het verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands reisdocument heeft overgelegd.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door haar in beroep overgelegde stukken, waaruit volgens [appellante] volgt dat de archieven waarin haar geboortebewijs in Irak bewaard werd, verloren zijn gegaan. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat overigens ook niet valt in te zien dat deze stukken kunnen afdoen aan het oordeel dat zij niet in bewijsnood verkeert, aldus [appellante].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 24 juli 2013 in zaak nr. 201212016/1/V6) is het aan een verzoeker om reeds in de bestuurlijke fase de benodigde documenten over te leggen.

Uit de door [appellante] in beroep overgelegde stukken blijkt dat zij eerst nadat zij beroep heeft ingesteld, contact heeft gezocht met het Gezondheid departement te Al-Najaf Al-Ashraf met het verzoek haar een geboorteakte te verstrekken. Daargelaten of aan deze stukken de betekenis kan worden gehecht die [appellante] daaraan gehecht wenst te zien, heeft de rechtbank deze stukken terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het beroep omdat zij niet tijdig zijn ingediend en [appellante] niet heeft gesteld dat het niet mogelijk was om deze eerder over te leggen dan zij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

501-800.