Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2265

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201302827/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 12 juli 2007 en 22 januari 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling onderscheidenlijk bouwvergunning verleend voor het plaatsen van oprolbare wandelkappen op het adres [locatie 1] te Oirschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302827/1/A1.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oirschot,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 februari 2013 in zaken nrs. 10/4072, 10/4148, 10/4178, 10/4073 en 10/4179 in het geding tussen:

[wederpartij A]

[wederpartij B]

[wederpartij C]

[wederpartij D], allen wonend te Oirschot

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 12 juli 2007 en 22 januari 2008 heeft het college aan [appellant] vrijstelling onderscheidenlijk bouwvergunning verleend voor het plaatsen van oprolbare wandelkappen op het adres [locatie 1] te Oirschot.

Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft het college het door [wederpartij A], [wederpartij B], [wederpartij C] en [wederpartij D] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de besluiten van 12 juli 2007 en 22 januari 2008 onder aanpassing van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 20 februari 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij B], [wederpartij C] en [wederpartij D] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 oktober 2010 vernietigd, de besluiten van 12 juli 2007 en 22 januari 2008 herroepen, bepaald dat haar uitspraak voor het vernietigde besluit in de plaats treedt en het door [wederpartij A] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[wederpartij C] en [wederpartij D] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door J. Klinkenberg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij D], bijgestaan door mr. J.M. Steedelaar, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] exploiteert op de percelen [locatie 2] (huiskavel) en [locatie 1] (gekoppeld bouwblok) te Oirschot een kwekerij, die zich in hoofdzaak bezig houdt met de teelt van rotsplanten en buxus. Het bouwplan betreft de realisering van zes zogenoemde wandelkappen aansluitend aan het bouwblok op het perceel [locatie 1]. De wandelkappen hebben elk een breedte van 6 m en een hoogte van 3,83 m. De constructie bestaat uit in beton verankerde metalen staanders met bogen. De gevels en de afdekking van het bouwwerk zijn voorzien van oprolbaar transparant plasticfolie.

2. Ingevolge het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, correctieve herziening 2003" rust op de gronden waarop de wandelkappen zijn voorzien de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 4.3.6, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen buiten het agrarische bouwblok uitsluitend andere bouwwerken zoals afrasteringen ten behoeve van het agrarische grondgebruik worden opgericht met een maximale bebouwingshoogte van 2 m.

3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat het buiten het bouwblok is geprojecteerd. Om verwezenlijking van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend.

4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het tweede lid kan het college vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

5. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant heeft bij besluit van 16 mei 2006 de regeling "Categorieën van gevallen ex artikel 19, lid 2, WRO Provincie Noord-Brabant 2006" vastgesteld (hierna: de regeling). De regeling bepaalt dat het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen van het bestemmingsplan voor projecten die voorkomen in deze regeling, mits wordt voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarden. In onderdeel I, eerste lid, aanhef en onder c, van de regeling is bepaald dat vrijstelling met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden verleend indien er geen sprake is van strijd met provinciaal of nationaal ruimtelijk beleid.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college geen vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO kon verlenen voor de bouw van de wandelkappen, heeft miskend dat de wandelkappen in overeenstemming zijn met het provinciaal ruimtelijk beleid, dat is neergelegd in de door het college van gedeputeerde staten op 25 september 2007 vastgestelde Beleidsnota "Teeltondersteunende voorzieningen (TOV) 2007" (hierna: de Beleidsnota). Hiertoe voert [appellant] aan dat geen sprake is van een permanente voorziening, maar van een bouwwerk waarvan slechts het frame het gehele jaar aanwezig zal zijn. Omdat de folie van de kappen slechts gedurende ongeveer vijf maanden per jaar uitgerold zal zijn, is het grootste deel van het jaar geen sprake van een gebouw, maar van een bouwwerk, dat moet worden aangemerkt als een tijdelijke teeltondersteunende voorziening als bedoeld in de Beleidsnota, aldus [appellant].

6.1. De Beleidsnota onderscheidt de teeltondersteunende voorzieningen in permanente voorzieningen, tijdelijke voorzieningen en overige voorzieningen. Volgens de Beleidsnota zijn permanente voorzieningen teeltondersteunende voorzieningen die voor onbepaalde tijd worden gebruikt. Onder tijdelijk wordt verstaan dat deze teeltondersteunende voorzieningen op dezelfde lokatie gebruikt kunnen worden zolang de teelt dit vereist, met een maximum van zes maanden. Permanente voorzieningen mogen alleen op het bouwblok worden opgericht. Tijdelijke voorzieningen kunnen ook buiten het bouwblok worden opgericht, omdat de impact van tijdelijke voorzieningen minder is dan van permanente voorzieningen.

Volgens de Beleidsnota zijn wandelkappen bij de aardbeien-, bloemen- en boomteelt gebruikte menstoegankelijke tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van minimaal 2 à 2,5 m, die als het ware over het veld wandelen, omdat bij de teelt in de volle grond een roulatieschema nodig is vanwege de vruchtwisseling. Daarom hebben deze voorzieningen een tijdelijk karakter.

6.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de voorziene wandelkappen, gelet op de constructie ervan, niet kunnen worden aangemerkt als wandelkappen in de zin van de Beleidsnota. Hierbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de metalen staanders zijn verankerd in beton en dat van verplaatsing in verband met vruchtwisseling en daarmee van een tijdelijk karakter geen sprake is. In de omstandigheid dat de folie oprolbaar is en mogelijk een gedeelte van het jaar opgerold zal zijn, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel, nu de boogconstructies permanent aanwezig zullen zijn. Gelet op het permanente karakter, zijn de wandelkappen aan te merken als permanente voorzieningen in de zin van de Beleidsnota. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat realisering van de wandelkappen buiten het bouwblok niet in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk beleid en dat het college om die reden niet bevoegd was toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door de primaire besluiten te herroepen en te bepalen dat haar uitspraak voor het vernietigde besluit in de plaats treedt. Hiertoe voert hij aan dat niet valt in te zien dat verlening van een vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO, niet meer mogelijk zou kunnen zijn.

7.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten dan wel zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft aan haar beslissing om de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning zelf voorziend te weigeren, ten grondslag gelegd dat in deze procedure niet meer ter beoordeling staat of vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO mogelijk was en niet is gebleken van andere vrijstellingsmogelijkheden.

Het zelf voorziend weigeren van een bouwvergunning is alleen mogelijk als vast staat dat geen van de vrijstellingen kan worden verleend. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu het college ter zitting te kennen heeft gegeven dat het niet heeft beoordeeld of het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO mogelijk is. De rechtbank had derhalve moeten volstaan met de vernietiging van het besluit van 5 oktober 2010. Het is aan het college om in het kader van een nieuw te nemen besluit op bezwaar te onderzoeken of de vrijstelling en bouwvergunning kunnen worden gehandhaafd.

Het betoog slaagt.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de besluiten van 12 juli 2007 en 22 januari 2008 zijn herroepen en is bepaald dat de uitspraak voor het vernietigde besluit in de plaats treedt.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 februari 2013 in zaken nrs. 10/4072, 10/4148, 10/4178, 10/4073 en 10/4179, voor zover daarbij de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Oirschot van 12 juli 2007 en 22 januari 2008 zijn herroepen en is bepaald dat de uitspraak voor het vernietigde besluit, kenmerk JKG, in de plaats treedt;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oirschot tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oirschot aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

604.