Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2262

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201302087/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghouders] (hierna tezamen: [vergunninghouder]) een vergunning verleend om met het [naam woonschip] (hierna: het woonschip) ligplaats in te nemen aan het [locatie A] te Haarlem (hierna: de ligplaatsvergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302087/1/A3.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 januari 2013 in zaak nr. 12/2009 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghouders] (hierna tezamen: [vergunninghouder]) een vergunning verleend om met het [naam woonschip] (hierna: het woonschip) ligplaats in te nemen aan het [locatie A] te Haarlem (hierna: de ligplaatsvergunning).

Bij besluit van 16 maart 2012, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellanten] (hierna tezamen: [appellant]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een reactie ingediend.

[appellant] heeft een nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Braeken, mr. C.B.B. Dohmen en A.A. Limonar, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woonschepenverordening (hierna: de verordening), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt de ligplaatsvergunning geweigerd indien het woonschip niet voldoet aan artikel 8.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, zijn buiten de Waarderhaven de maximaal toegestane afmetingen van een woonschip, inclusief aanbehoren, de in het ter plaatse rechtskracht hebbende bestemmingsplan aangegeven afmetingen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a en b, zijn de maximaal toegestane afmetingen, voor zover in het ter plaatse rechtskracht hebbende bestemmingsplan geen afmetingen zijn opgenomen, gemeten vanaf de walkant/oever, van een woonschip buiten de Waarderhaven, inclusief aanbehoren, in de lengte 18,50 meter en in de breedte 7,00 meter.

Ingevolge het derde lid kan het college van de in het tweede lid genoemde afmetingen ontheffingen verlenen voor historische woonschepen voor zover de afmetingen van de ligplaats dit toelaten.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Schalkwijkerweg (hierna: het bestemmingsplan). Ingevolge het bestemmingsplan rust ter plaatse de bestemming Woonschepenligplaats, zone (Wsl).

Ingevolge artikel 8, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften mag op gronden met de bestemming Woonschepenligplaats (Wsl) een woonschip worden gelegd met een maximaal toegestane afmeting in de lengte van 18,50 meter en in de breedte 7,00 meter gemeten vanaf de walkant, inclusief gangboorden en dakoverstekken.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van dit plan voor het afwijken van de voorgeschreven maten (met uitzondering van de maten van woonschepen) ten aanzien van dakhellingen, goothoogten, hoogten, oppervlakten en bebouwingspercentages met ten hoogste tien procent.

Voorts is op de verbeelding een ligplaats voor het woonschip ingetekend van 24,50 bij 7,50 meter.

Met de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012 in zaak nr. 201010269/1/R1 is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden.

2. De rechtbank heeft overwogen dat zij het standpunt van het college in het besluit van 16 maart 2012 aldus verstaat dat de lengte van het woonschip niet in strijd is met het bestemmingsplan en krachtens artikel 8, eerste lid, van de verordening een ligplaatsvergunning kan worden verleend.

De rechtbank heeft overwogen dat op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding een Woonschepenligplaats is ingetekend op grond waarvan in afwijking van artikel 8, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, ter plaatse ligplaats kan worden ingenomen door een woonschip met een lengte van 24,50 meter. Volgens de rechtbank moet in het algemeen worden aangenomen dat de planvoorschriften de bedoeling van de planwetgever het meest nauwkeurig weergeven. In deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank de verbeelding leidend omdat de planwetgever heeft beoogd een ligplaats voor het woonschip te creëren en het woonschip aanmerkelijk langer is dan 18,50 meter.

Nu het woonschip volgens het Scheepspatent voor den Rijn van 28 april 1936 een grootste scheepslengte (zonder roer) heeft van 24,06 meter en deze lengte binnen het bestemmingsplan is toegestaan, staat de verordening niet aan verlening van de ligplaatsvergunning in de weg, aldus de rechtbank. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het college heeft gesteld dat de aan de achterzijde overhangende sloep langszij kan worden afgemeerd en [vergunninghouder] ter zitting heeft verklaard dat hij bereid is de sloep elders af te meren als dat nodig is.

3. [appellant] voert aan dat het woonschip kon blijven liggen op de oude ligplaats nu de reden voor het verplaatsen van het woonschip, te weten het realiseren van bebouwing op de plek van de oude ligplaats, is komen te vervallen. Daarbij stelt [appellant] dat hulpdiensten het Jaagpad niet kunnen bereiken.

Voorts betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat het woonschip past binnen het bestemmingsplan noch binnen de maximaal toegestane lengte als genoemd in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening. Het woonschip heeft volgens eigen onderzoek van het college een lengte, met aanbehorende overhangende sloep, van 26,11 meter. Ook in de breedte past het woonschip volgens [appellant] niet binnen het bestemmingsplan. Daarbij komt dat [vergunninghouder] op 23 mei 2012 een aanvraag heeft ingediend tot verlening van een omgevingsvergunning omdat de afmetingen van het woonschip strijdig zijn met het bestemmingsplan. Volgens [appellant] heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat het college geen vrijstelling kan verlenen krachtens artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en artikel 8, derde lid, van de verordening in dit geval toepassing mist, omdat in die bepaling niet staat dat ontheffingen kunnen worden verleend van de in het bestemmingsplan genoemde maten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de verordening. Daarbij komt volgens [appellant] dat de afmetingen van de ligplaats volgens de verbeelding niet toelaten ontheffingen te verlenen.

3.1. Onbestreden is dat de desbetreffende ligplaats in het bestemmingsplan is opgenomen voor het woonschip en daartoe een ligplaats met een afmeting van 24,50 bij 7,50 meter op de verbeelding is ingetekend. In deze procedure ligt voor de vraag of het college, gelet op het onherroepelijke bestemmingsplan en de verordening, bij besluit van 16 maart 2012 de verlening van de ligplaatsvergunning terecht heeft gehandhaafd.

De verordening biedt geen grond om de ligplaatsvergunning te weigeren omdat de reden voor de verplaatsing van het woonschip is komen te vervallen dan wel omdat hulpdiensten het Jaagpad niet kunnen bereiken, zoals [appellant] betoogt.

Voorts heeft het woonschip volgens het Scheepspatent voor den Rijn van 28 april 1936 een maximale lengte (zonder roer) van 24,06 meter. Uit een door [appellant] overgelegd rapport van Fugro GeoServices B.V. volgt dat de lengte van het woonschip van boeg tot achtersteven 24,09 meter bedraagt. Uit een door [appellant] overgelegde brief van het college van 17 september 2013 volgt dat op 6 mei 2013 een onderzoek naar de afmetingen van het woonschip is uitgevoerd en het woonschip een lengte heeft van 24,09 meter. Uit deze stukken volgt dat het woonschip past binnen de op de verbeelding ingetekende ligplaats. Dat achter op het woonschip een davit is gemonteerd waaraan een sloep hangt maakt dit niet anders, nu niet in geschil is dat de davit eenvoudig naar binnen gedraaid kan worden en de sloep kan worden gestreken. Voor zover de lengte van het woonschip met naar buiten gedraaide davit en daaraan hangende sloep de op de verbeelding ingetekende ligplaats overschrijdt, kan dit aan de orde worden gesteld in een procedure tot handhaving van de ligplaatsvergunning.

Dat volgens [appellant] de breedte van het woonschip 10,31 meter is gemeten vanaf de walkant, kan evenzeer in een procedure tot handhaving aan de orde worden gesteld. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat het woonschip een breedte heeft van 5,09 meter en [vergunninghouder] ter zitting bij de Afdeling heeft verklaard dat hij de ligplaats heeft ingenomen onder toezicht van de havenmeester, rekening houdend met de aanwezige rietkraag en in lijn met het [naam ander woonschip], gelegen aan het [locatie B].

Voorts volgt uit de omstandigheid dat [vergunninghouder] een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning heeft ingediend niet reeds dat de afmetingen van het woonschip in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Dat volgens [appellant] de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen vrijstellingen van de afmetingen als genoemd in het bestemmingsplan kan verlenen krachtens artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften en artikel 8, derde lid, van de verordening toepassing mist, behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking.

De betogen falen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ligplaatsvergunning voor het woonschip er aan in de weg staat dat hem in de toekomst een ligplaatsvergunning wordt verleend om aan zijn steiger een groter pleziervaartuig af te meren.

5. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling gesteld dat het bij de verlening van de ligplaatsvergunning heeft betrokken dat [appellant] aan zijn steiger een pleziervaartuig heeft afgemeerd waarvoor een ligplaatsvergunning is verleend. Voor het afmeren van een groter pleziervaartuig moet hij een nieuwe ligplaatsvergunning aanvragen, aldus het college. Onder deze omstandigheden was het college naar het oordeel van de Afdeling niet gehouden om bij de verlening van de ligplaatsvergunning rekening te houden met toekomstige wensen van [appellant].

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

382-782.