Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2252

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201303310/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:949, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend optreden tegen het agrarisch bedrijf van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Gieterveen (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303310/1/A1.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Gieterveen, gemeente Aa en Hunze,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2013 in zaak

nr. 12/429 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend optreden tegen het agrarisch bedrijf van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Gieterveen (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 11 oktober 2011 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 26 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.T. Onbelet en het college, vertegenwoordigd door T. Bruining, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], bijgestaan door mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Rolde, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Gieten" rust op het perceel de bestemming "Agrarische bedrijven".

Ingevolge artikel 1, onder 17, van de planvoorschriften wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, niet zijnde een agrarisch neven- of hobbybedrijf.

2. [belanghebbende] exploiteert op het perceel een paardenhouderij met, naar niet in geschil is, ten tijde van belang negen paarden, waaronder twee fokmerries. Het perceel heeft een omvang van ongeveer 2.9 hectare.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het perceel in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen sprake is van een reëel agrarisch bedrijf op het perceel, nu niet aan de daarvoor geldende criteria wordt voldaan, maar paarden worden gehouden zonder enige productie. Op het bedrijf zijn slechts twee fokmerries aanwezig en zijn de afgelopen jaren nauwelijks veulens geboren, terwijl geen inspanningen worden verricht om het paardenbestand uit te breiden en geen faciliteiten aanwezig zijn om de paarden te trainen, aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank volgens hem niet onderkend dat de gebruikte rekenmethode om de arbeidsbehoefte vast te stellen niet realistisch is, nu niet aannemelijk is gemaakt dat aan de paarden, behoudens voor hun dagelijkse verzorging, tijd wordt besteed. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat sprake is van een bedrijf in ontwikkeling, nu niet aannemelijk is gemaakt dat uit het reeds in 2006 opgerichte bedrijf inkomsten worden genoten en [belanghebbende] voltijds als hoefsmid werkzaam is, aldus [appellant].

3.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 18 april 2012, in zaak nr. 201106938/1/A1, overweegt de Afdeling dat voor het aanmerken van een paardenhouderij als agrarisch bedrijf is vereist dat deze productiegericht is. Het africhten, trainen (opfokken) en verkopen van ter plaatse op het bedrijf gefokte paarden hangt zodanig samen met het fokken van paarden, dat deze activiteiten kunnen worden beschouwd als behorende bij een productiegerichte paardenhouderij, waarbij het africhten van de gefokte paarden ten behoeve van de verkoop dient te worden aangemerkt als onderdeel van de paardenfokkerij.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 30 maart 2005, in zaak nr. 200204616/1, overweegt de Afdeling voorts dat voor het aanmerken van een paardenhouderij als agrarisch bedrijf is vereist dat de agrarische activiteiten een - werkelijk - agrarisch bedrijfsmatig karakter hebben (een zogenoemd reëel agrarisch bedrijf) en dat voor de beantwoording van die vraag bijkomende gegevens gewicht in de schaal kunnen leggen, zoals, onder meer, het grondareaal, de veebezetting, de intentie waarmee de agrarische activiteiten worden ondernomen, de tijd die hieraan wordt besteed en de al of niet agrarische herkomst van betrokkene. Uit deze gegevens kan veelal worden afgeleid of de agrarische activiteiten een bedrijfsmatig dan wel een daarvan te onderscheiden hobbymatig karakter dragen.

3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de paardenhouderij is gericht op het fokken en verkopen van paarden. [belanghebbende] heeft toegelicht dat op zijn bedrijf vanaf 2006 veertien veulens zijn geboren, ongeveer tweeëneenhalf jaar na hun geboorte de hengsten worden gekeurd, waarna wordt besloten of zij worden verkocht of behouden als op te leiden wedstrijdpaard en dat hij is aangesloten bij het KWPN, een Nederlandse fokkerij-organisatie voor spring- en dressuurpaarden, tuigpaarden en Gelderse paarden. Op het bedrijf zijn twee buitenbakken, twee schuren en zowel vaste als tijdelijke loopstallen aanwezig. Gelet het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat [belanghebbende] ter plaatse een productiegerichte paardenhouderij exploiteert, waarbij paarden worden gefokt en afgericht ten behoeve van de verkoop. Daargelaten dat [belanghebbende] een toereikende verklaring heeft gegeven voor het relatief lage aantal veulens, geeft dat aantal op zichzelf ook geen grond om reeds daarom daaraan de conclusie te verbinden dat een paardenhouderij niet productie gericht is. Dat [appellant], als gesteld, op het perceel geen faciliteiten heeft waargenomen om de paarden te trainen, vormt, wat daarvan ook zij, onvoldoende grond voor een ander oordeel, te minder nu [belanghebbende] heeft aangegeven dat het africhten door derden wordt gedaan en hij in het kader van de landbouwtelling jaarlijks gegevens over het aantal paarden op het perceel verstrekt aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: het Ministerie van Economische Zaken) en die verplichting, zoals hij terecht stelt, uitsluitend geldt voor agrarische ondernemers.

Ten aanzien van de door [belanghebbende] verrichte agrarische activiteiten heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die een (werkelijk) bedrijfsmatig karakter hebben. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich daarbij niet mocht baseren op het rapport van de afdeling Vrom van de gemeente Aa en Hunze van 8 februari 2012 dat de bedrijfsomvang bij negen africhtingspaarden volgens de Argi-Monitor van het Landbouw Economisch Instituut 30,25 Nederlandse grootte-eenheden (hierna: nge) bedraagt, waarbij een arbeidsbehoefte hoort van 70 uur per nge, hetgeen resulteert in een arbeidsomvang van 2116 uur per jaar. In het rapport wordt voorts vermeld dat uitgaande van 50 uur per nge, de arbeidsomvang 1512 zou bedragen. [appellant] heeft deze berekening als zodanig niet weersproken. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat het inkomen van [belanghebbende] niet hoofdzakelijk wordt gegenereerd met de paardenhouderij onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat geen sprake is van activiteiten met een bedrijfsmatig karakter. [belanghebbende] heeft ter zitting toegelicht dat hij zelf gemiddeld ongeveer een kwart van zijn werkzaamheden aan de paardenhouderij besteedt en voornemens is dat aandeel uit te breiden ten koste van zijn lichamelijk zware werk als hoefsmid. Voorts heeft hij daar toegelicht dat jaarlijks weliswaar slechts twee tot drie paarden worden verkocht, maar dat hij zich heeft toegelegd op het hogere segment en dat de verkoopopbrengst van de paarden vanwege hun kwaliteit hoog is.

Dat volgens [appellant] geen ontwikkeling van het bedrijf valt waar te nemen, maakt, wat daarvan ook zij, niet dat [belanghebbende] niet de intentie heeft de met de paardenhouderij verband houdende activiteiten uit te breiden, nu hij heeft toegelicht dat hij daarin wordt belemmerd doordat op het bedrijf tot op heden helaas nauwelijks merrieveulens worden geboren en de aankoop van fokmerries kostbaar is.

Gelet op het voorstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een agrarisch bedrijf in overeenstemming met de bestemming, zodat het college zich terecht niet bevoegd heeft geacht handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

357-757.