Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2251

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201301363/1/V4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8363, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301363/1/V4.

Datum uitspraak: 25 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 januari 2013 in zaak nr. 12/18256 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 24 mei 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 januari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor zover thans van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, bij de uitspraak vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.

2. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling door de rechtbank. De vreemdeling betoogt in haar grief dat in haar zaak twee zittingen hebben plaatsgevonden, terwijl de rechtbank slechts 1 punt heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting.

2.1. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank in de zaak van de vreemdeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2012. Na mededeling aan partijen dat de zaak voor verdere behandeling naar een meervoudige kamer wordt doorverwezen, heeft op 16 november 2012 het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank plaatsgevonden. De vreemdeling is, zoals blijkt uit de processen-verbaal van het verhandelde ter zitting, op beide zittingen bijgestaan door haar gemachtigde verschenen. Uit overweging 18 van de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank de proceskosten heeft vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank heeft mitsdien ten onrechte nagelaten de kosten vast te stellen van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het verschijnen ter nadere zitting. De grief slaagt.

3. Hetgeen de vreemdeling overigens in de grief heeft aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de kosten vast te stellen van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het verschijnen ter nadere zitting en de staatssecretaris daarin te veroordelen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling die proceskosten vaststellen op een bedrag van € 236,00 (0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, anders dan na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 472,00). De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak, voor zover vernietigd.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 januari 2013 in zaak nr. 12/18256, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de kosten vast te stellen van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het verschijnen ter nadere zitting, anders dan na tussenuitspraak, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie daarin te veroordelen;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 236,00 (zegge: tweehonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van staat.

w.g. Verheij w.g. Peute

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2013

391.