Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201303125/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het college aan [belanghebbende] krachtens artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, (oud) van de Wet milieubeheer een verklaring afgegeven met betrekking tot de melding van een verandering van een agrarische onderneming aan de [locatie] te Bergeijk.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/742

Uitspraak

201303125/1/A4.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A], gevestigd te Bergeijk, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Bergeijk, en [appellante sub 1B], gevestigd te Bergeijk, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Luyksgestel, gemeente Bergeijk (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Bergeijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het college aan [belanghebbende] krachtens artikel 8.19, eerste lid, aanhef en onder c, (oud) van de Wet milieubeheer een verklaring afgegeven met betrekking tot de melding van een verandering van een agrarische onderneming aan de [locatie] te Bergeijk.

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het het door [appellante sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit, voor zover dat de verklaring betreft, herroepen.

Bij besluit van 26 februari 2013 heeft het de verklaring onder herroeping van dat van 3 maart 2011 opnieuw afgegeven.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2013, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door drs. M. van den Hurk en H.A.J. Verhagen, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en ing. J.A.M. Stultens, gehoord.

Overwegingen

1. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college de melding niet opnieuw kon accepteren, omdat deze bij het besluit van 20 december 2011 was geweigerd en dat besluit in rechte onaantastbaar is.

1.1. Het college stelt dat het besluit van 20 december 2011 slechts strekt tot herroeping van dat van 3 maart 2011 en niet tot weigering van de melding, zodat deze bij het besluit van 26 februari 2013 alsnog kon worden geaccepteerd.

1.2. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge het tweede lid herroept het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, dat besluit en neemt het, voor zover nodig, in de plaats daarvan een nieuw besluit.

1.3. Voorafgaand aan het besluit van 20 december 2011 heeft de Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Bergeijk op 21 juni 2011 aan het college advies uitgebracht. Zij concludeert hierin dat het de melding niet had mogen accepteren vanwege nadelige gevolgen van de verandering voor het milieu. Zij adviseert daarom de tegen de acceptatie van de melding gemaakte bezwaren gegrond te verklaren en het besluit van 3 maart 2011 te herroepen. Aan dat van 20 december 2011 heeft het college ten grondslag gelegd dat het zich kan vinden in dat advies en overeenkomstig het advies beslist. Gelet hierop, moet het besluit van 20 december 2011 aldus worden begrepen, dat daarbij tevens de melding is geweigerd.

1.4. Het besluit van 26 februari 2013 strekt onder meer tot herroeping van dat van 3 maart 2011. In dat van 26 februari 2013 wordt verwezen naar en ingegaan op het advies van 21 juni 2011. Verder is in dat besluit vermeld dat er beroep tegen open staat. Gelet hierop, moet dat besluit worden aangemerkt als nieuw besluit op de tegen dat van 3 maart 2011 gemaakte bezwaren. Nu echter bij het besluit van 20 december 2011 op die bezwaren, alsmede op de melding, is beslist, kon het college niet opnieuw een besluit op het gemaakte bezwaar nemen.

De beroepsgrond slaagt.

2. De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 26 februari 2013 zal worden vernietigd.

3. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de bij appellanten opgekomen proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk van 26 februari 2013, kenmerk BER-2010-0710;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding aan [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B] van de bij deze in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,68 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding aan [appellant sub 2] van de bij deze in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,68 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van:

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellante sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

190-684.