Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2229

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201300751/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Portland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300751/1/R4.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

en

de raad van de gemeente Albrandswaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Portland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het Waterschap Hollandse Delta een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 juli 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Visser, J. de Ruiter en Q. Maas, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord het waterschap Hollandse Delta, vertegenwoordigd door mr. M. Dijkgraaf en Ing. W.C. Vrijenhoek, beiden werkzaam bij het waterschap.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het woongebied Portland, het recreatiegebied Koedoodzone en het bedrijventerrein aan de noordzijde van Portland.

3. De raad betoogt dat [appellant sub 2] geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het perceel De Beurs 41. Daartoe voert hij aan dat voor de betrokken gronden ten behoeve van de realisatie van klaslokalen reeds een omgevingsvergunning is verleend, die inmiddels in rechte onaantastbaar is geworden.

3.1. De omstandigheid dat een omgevingsvergunning is verleend die in rechte onaantastbaar is geworden brengt niet met zich dat geen belang meer bestaat bij een uitspraak op het beroep in zoverre. Een bestemmingsplan leent zich, anders dan een omgevingsvergunning, voor herhaalde toepassing. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding het beroep van [appellant sub 2] vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het betrokken plandeel.

4. De raad betoogt voorts dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is bij het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" en de functieaanduiding "sport", ter plaatse van het perceel De Beurs 33. Daartoe voert hij aan dat de woning van [appellant sub 2] is gelegen op een afstand van ongeveer 200 meter van de desbetreffende gronden. [appellant sub 2] heeft, vanwege bebouwing die is gesitueerd tussen zijn woning en de desbetreffende gronden, geen zicht op het bestreden plandeel, aldus de raad.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De woning van [appellant sub 2] bevindt zich op een afstand van ongeveer 200 meter van het betrokken plandeel. Gelet op deze afstand, en op het feit dat tussen de betrokken woning en het bestreden plandeel een andere woning op het perceel De Beurs 45 en een gebouw op het perceel De Beurs 41 zijn gesitueerd, heeft [appellant sub 2] geen zicht op het betrokken plandeel. Ook de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plandeel mogelijk zijn, maken dat deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot is om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

In de door [appellant sub 2] aangevoerde omstandigheid, dat het betrokken plandeel mogelijk leidt tot een verhoogde parkeerdruk alsmede een toename in het aantal verkeersbewegingen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de Afdeling dat het betrokken plandeel niet enkel wordt ontsloten door middel van de weg die langs de woning van [appellant sub 2] loopt, en ook overigens niet aannemelijk is gemaakt dat het voorziene gebruik van het betrokken plandeel leidt tot een onevenredige toename in verkeers- dan wel parkeerdruk. In de door [appellant sub 2] aangevoerde omstandigheid dat het betrokken plandeel mogelijk leidt tot verlies aan groen ten gevolge van de aanleg van parkeerplaatsen ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor een ander oordeel, nu deze omstandigheid, daargelaten of deze zich daadwerkelijk voordoet, voortvloeit uit de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", en niet uit de bestemming "Maatschappelijk", waarop het beroep van [appellant sub 2] is gericht.

[appellant sub 2] is dan ook geen belanghebbende bij het bestreden plandeel als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zodat hij daartegen geen beroep kan instellen.

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

6. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het perceel De Beurs 41. Doordat deze gronden volgens de bestemmingsomschrijving mede zijn bestemd voor "(indoor) sportvoorzieningen", voorziet het plan volgens hem niet alleen in een sportzaal, maar ook in een sporthal. Nu de raad is uitgegaan van de richtafstand voor een sportzaal in plaats van een sporthal, is volgens [appellant sub 2] de brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) onjuist toegepast. Bij een sporthal wordt een richtafstand van 50 meter aanbevolen ten opzichte van gevoelige functies, terwijl de afstand tussen woningen en de sporthal slechts 15 meter is, zodat aan de richtafstand niet wordt voldaan, aldus [appellant sub 2].

6.1. Ingevolge artikel 1, van de planregels dienen onder "maatschappelijke doeleinden" functies te worden verstaan ten behoeve van religieuze, educatieve, medische, sociale en culturele doeleinden, (openbare) overheidsinstellingen, alsmede voorzieningen ten behoeve van kinderopvang en bejaarden.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden onder andere bestemd voor maatschappelijke doeleinden.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef onder c, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Maatschappelijk" onder andere bestemd voor (indoor) sportvoorzieningen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2, aanhef en onder b, van de planregels mag de bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (12)" niet meer bedragen dan 12 meter.

6.2. De raad heeft de VNG-brochure tot uitgangspunt genomen om te beoordelen of een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd bij de realisatie van een sportzaal. Bij een sportzaal wordt, uitgaande van een rustige woonwijk, een richtafstand aanbevolen van 30 meter ten opzichte van gevoelige functies. Indien wordt uitgegaan van een gemengd gebied, kan een richtafstand van 10 meter worden gehanteerd ten opzichte van gevoelige functies. Onder een "gemengd gebied" wordt verstaan een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Nu in de nabijheid van het bestreden plandeel naast de woonfunctie ook andere centrumfuncties voorkomen, zoals een basisschool, een beautysalon alsmede een supermarkt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het betrokken plandeel en de omgeving daarvan is gesitueerd in een "gemengd gebied". Nu de afstand tussen de meest nabijgelegen woning op het perceel De Beurs 45 en de grens van de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het betrokken plandeel ongeveer 15 meter bedraagt, is voldaan aan de aanbevolen richtafstand. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich, uitgaande van een sportzaal, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van omliggende woningen een goed woon- en leefklimaat is geborgd.

Echter, de aan de betrokken gronden toegekende planregeling biedt tevens ruimte aan andere functies dan enkel een sportzaal. Ter plaatse van betrokken gronden zijn ingevolge de daaraan toegekende bestemming "Maatschappelijk" functies toegestaan ten behoeve van religieuze, educatieve, medische, sociale en culturele doeleinden, (openbare) overheidsinstellingen alsmede voorzieningen ten behoeve van kinderopvang en bejaarden. Voorts zijn ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder c, van de planregels ter plaatse (indoor) sportvoorzieningen toegestaan, waarbij de Afdeling erop wijst dat het begrip "sportvoorziening" niet nader is gedefinieerd in de begripsbepalingen van het plan. Gelet op het voorgaande kan, ondanks hetgeen de raad ter zitting heeft betoogd, op voorhand niet worden uitgesloten dat ter plaatse een sporthal kan worden gerealiseerd. Het enkele feit dat ten behoeve van onderwijslokalen reeds een omgevingsvergunning is verleend die in rechte onaantastbaar is geworden, waardoor gebruik ten behoeve van een sporthal op voorhand kan worden uitgesloten, doet aan het voorgaande niet af, nu bij toetsing van het bestreden besluit dient te worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan.

In de VNG-brochure wordt voor een sporthal een richtafstand van 50 meter aanbevolen ten opzichte van gevoelige functies. Deze afstand geldt bij het omgevingstype rustige woonwijk. Indien sprake is van een gemengd gebied kan een richtafstand van 30 meter worden gehanteerd. De Afdeling stelt vast dat niet aan deze afstand is voldaan, nu de afstand tussen de meest nabijgelegen woning op het perceel De Beurs 45 en de grens van de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het betrokken plandeel ongeveer 15 meter bedraagt.

Nu de raad heeft miskend dat het bestreden plandeel tevens voorziet in de mogelijkheid om een sporthal te realiseren, is het besluit in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt.

Ten overvloede overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad meent, het uitsluiten van een sporthal in het plan niet enkel mogelijk is door het toekennen van een maatschappelijke bestemming met daaraan gekoppeld de aanduiding "onderwijs". In de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012" is de aanduiding "sportzaal" opgenomen, waarmee het door de raad beoogde gebruik ten behoeve van verenigingen kan worden geborgd.

7. [appellant sub 1] betoogt dat de onmiddellijk ten westen van zijn perceel gesitueerde watergang alsmede de daarbij behorende keurstroken in het plan niet zijn opgenomen conform de feitelijke situatie, zoals vervat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Portland I, herziening Bakkerparksweg e.o. 1e wijziging", dat is vastgesteld op 19 juni 2007.

7.1. De raad stelt dat dit plan een wijziging betreft voor de bestemming "Water" ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, nu de grens van het bestemmingsvlak van deze bestemming is opgeschoven in de richting van het perceel van [appellant sub 1]. Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat hij deze wijziging niet heeft beoogd bij het opstellen van het plan. Volgens de raad heeft de wijziging evenwel geen consequenties voor het perceel van [appellant sub 1]. Daartoe voert hij aan dat de bestemming "Water" mede voorziet in groenvoorzieningen, zodat de bestaande situatie is geborgd door het plan. Nu een watervoorziening reeds was toegestaan op grond van de bestemming "Groenvoorzieningen" uit het voorheen geldende plan, leidt het betrokken plandeel niet tot een wijziging in de planologische mogelijkheden ter plaatse, aldus de raad. De raad stelt verder dat de dubbelbestemming "Waterstaat" evenals in het voorheen geldende plan is gesitueerd tot aan de gemeentegrens, waardoor in zoverre geen sprake is van een planologische wijziging ter plaatse van de betrokken gronden. De dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" is opgenomen naar aanleiding van gegevens van het Waterschap Hollandse Delta, en strekt ertoe de waterkering aan de Bakkersdijk te beschermen, aldus de raad.

7.2. Ingevolge artikel 27, lid 27.2.2, van de planregels mogen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Waterstaat" ten behoeve van de andere aan de gronden toegekende bestemming(en) geen bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 27, lid 27.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 27, lid 27.2.2, van de planregels voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen, onder de voorwaarden dat de waterhuishoudkundige belangen dit toelaten en alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap.

Ingevolge artikel 28, lid 28.2.2, van de planregels mogen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Waterstaat - Waterkering" ten behoeve van de andere aan de gronden toegekende bestemming(en) geen bouwwerken worden gebouwd.

Ingevolge artikel 28, lid 28.3, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 28, lid 28.2.2, van de planregels voor het bouwen ten behoeve van andere daar voorkomende bestemmingen onder de voorwaarden dat de waterhuishoudkundige belangen dit toelaten en alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend schriftelijk advies wordt ingewonnen bij het waterschap.

7.3. De Afdeling vat het beroep van [appellant sub 1] op als zijnde gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Water", "Groen", "Waterstaat" en "Waterstaat - Waterkering", gesitueerd ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] alsmede onmiddellijk ten westen van dit perceel.

De dubbelbestemmingen "Waterstaat" en "Waterstaat - Waterkering" leiden tot een beperking van de bouwmogelijkheden ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1]. Ter zitting is gebleken dat de raad bij het vaststellen van de begrenzing van deze dubbelbestemmingen, anders dan hij heeft beoogd, niet is uitgegaan van de plankaart van het bestemmingsplan "Portland I, herziening Bakkersparkweg e.o. 1e wijziging" uit 2007, waarin blijkens het verhandelde ter zitting de feitelijke ligging van de watergang is opgenomen, maar van de plankaart van het bestemmingsplan "Portland I, herziening Bakkersparkweg e.o." uit 2002. Gezien de feitelijke ligging van de watergang heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom de voornoemde dubbelbestemmingen ter plaatse van de desbetreffende gronden nodig zijn. Uit de samenhang tussen deze plandelen en de plandelen met de bestemmingen "Water" en "Groen" volgt dat evenmin inzichtelijk is gemaakt waarom de bestemmingsvlakken van laatstgenoemde bestemmingen niet zijn opgenomen conform de feitelijke situatie.

De Afdeling ziet dan ook aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Waterstaat", "Waterstaat - Waterkering", "Water" en "Groen", gesitueerd ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] alsmede onmiddellijk ten westen van dit perceel, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het betoog slaagt.

Conclusie

8. Met het oog op een finale beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak de geconstateerde gebreken te herstellen door het nemen van een nieuw besluit. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 6.2 het besluit te wijzigen door het vaststellen van een andere planregeling voor het perceel De Beurs 41, waarbij gebruik ten behoeve van een sporthal wordt uitgesloten. Voorts dient de raad met inachtneming van overweging 7.3 nader onderzoek te doen dan wel het besluit te wijzigen door het vaststellen van een andere planregeling voor de plandelen met de bestemmingen "Waterstaat", "Waterstaat - Waterkering", "Water" alsmede "Groen", gesitueerd ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] alsmede onmiddellijk ten westen van dit perceel. Daarbij dient als uitgangspunt te worden gehanteerd de feitelijke ligging van de ten westen van het perceel van [appellant sub 1] gesitueerde watergang.

8.1. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast. Het nieuwe besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt.

9. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Albrandswaard op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 8 de daar omschreven gebreken te herstellen en;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Wiel w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

375-783.