Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201300740/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2012 heeft het college hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeer, spoorwegverkeer en industrielawaai ten behoeve van het bestemmingsplan "11 aanleunwoningen De Westhoek te Zevenbergen".

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/738

Uitspraak

201300740/1/R3.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Zevenbergen, gemeente Moerdijk,

2. [appellant sub 2], wonend te Zevenbergen, gemeente Moerdijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2012 heeft het college hogere waarden als bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege wegverkeer, spoorwegverkeer en industrielawaai ten behoeve van het bestemmingsplan "11 aanleunwoningen De Westhoek te Zevenbergen".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. W. Krijger, [appellant sub 2], bijgestaan door ir. J.G. van den Enden, en het college, vertegenwoordigd door A.A. van Dongen en J.A. Bouwer, beiden werkzaam bij de gemeente, en S. Papens en G.J. Andries, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bestreden besluit is genomen in verband met de vaststelling van het bestemmingsplan "11 aanleunwoningen De Westhoek te Zevenbergen" op 8 november 2012. Dit plan maakt elf aanleunwoningen aan het Wilhelminapark in de kern van Zevenbergen mogelijk. Het bestreden besluit is gelijktijdig met het vaststellingsbesluit van het plan op 6 december 2012 bekendgemaakt.

Ontvankelijkheid

2. Het college betoogt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet zijn aan te merken als belanghebbenden bij het bestreden besluit en dat hun beroepen om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Hiertoe voert het college aan dat het bestreden besluit ziet op de hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de elf te bouwen aanleunwoningen en niet van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Het besluit tot vaststelling van hogere waarden vanwege de voorgenomen bouw van elf aanleunwoningen aan het Wilhelminapark in de kern van Zevenbergen is een noodzakelijke voorwaarde om deze voorgenomen activiteit, eventueel na het nemen van vervolgbesluiten in het kader van de ruimtelijke ordening, te realiseren.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2009 in zaak nr. 200805817/1/M2) zijn bij een dergelijk besluit rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt.

2.3. De percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] liggen tegenover de percelen waarop de nieuw te bouwen aanleunwoningen zijn beoogd, waarvoor bij het bestreden besluit hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting zijn vastgesteld. Onder deze omstandigheden worden [appellant sub 1] en [appellant sub 2], nu zij - als direct omwonenden - belang hebben bij het al dan niet bouwen van de aanleunwoningen, door het besluit tot vaststelling van hogere waarden rechtstreeks in hun belang geraakt.

Gelet op het voorgaande kunnen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als belanghebbenden bij het bestreden besluit, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, worden aangemerkt, zodat de daartegen door hun ingestelde beroepen ontvankelijk zijn.

Inhoudelijk

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte hogere waarden als bedoeld in de Wgh heeft vastgesteld. Hiertoe voeren zij aan dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde akoestische onderzoek gebreken bevat en onvolledig is. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is in dit onderzoek ter zake van geluidsbelasting als gevolg van wegverkeer ten onrechte uitgegaan van ontheffingswaarden voor reguliere woningen in plaats van waarden voor een verzorgingshuis.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de hogere waarden in overeenstemming met de Wgh zijn vastgesteld. Voorts stelt het college dat hij zich bij het nemen van het bestreden besluit op het akoestische rapport ter zake en de aanvullingen daarop heeft mogen baseren.

3.2. In de uitspraak van heden, zaak nr. 201300579/1/R3, ter zake van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het bestemmingsplan "11 aanleunwoningen De Westhoek te Zevenbergen", heeft de Afdeling overwogen dat de daarin voorziene aanleunwoningen kunnen worden aangemerkt als reguliere woningen.

Gelet hierop is het college bij de vaststelling van het besluit hogere waarden terecht uitgegaan van de waarden voor reguliere woningen.

3.3. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het tweede lid kan, bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd, voor de aanwezige of te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110a, eerste lid, is het college van burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.

3.4. In verband met de bouw van elf nieuwe aanleunwoningen aan het Wilhelminapark, die met het bestemmingsplan "11 aanleunwoningen De Westhoek te Zevenbergen" mogelijk wordt gemaakt, heeft het onderzoeksbureau Agel Adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege weg- en railverkeer en industrielawaai op de gevels van de voorziene aanleunwoningen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek weg-, railverkeer en industrielawaai, plangebied De Westhoek te Zevenbergen" van 9 februari 2012. Het akoestisch rapport is aangevuld bij memo's van 15 maart 2012, 19 juli 2012, 25 oktober 2012 en 13 juni 2013.

Uit het onderzoek volgt dat de voorkeurswaarde van 48 dB als gevolg van wegverkeer wordt overschreden en dat de hoogste geluidsbelasting 58 dB zal bedragen. De Afdeling overweegt dat hiermee wordt voldaan aan artikel 83 van de Wgh.

Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het college het akoestisch onderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat daarin van onjuiste waarden is uitgegaan, waardoor een te hoge geluidsbelasting vanwege wegverkeer voor de gevels van de voorziene aanleunwoningen is vastgesteld, kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. Het betoog faalt.

4. Voorts is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de geluidsbelasting als gevolg van railverkeer aan de hand van onjuiste waarden op grond van verouderde regelgeving berekend en is ten onrechte niet onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn op grond waarvan het vaststellen van hogere waarden niet nodig is.

4.1. Bij het bestreden besluit heeft het college voor de gevels van de onderscheiden aanleunwoningen een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld, met dien verstande dat deze als gevolg van spoorwegverkeer maximaal 58 dB mag bedragen. Hierbij is de regelgeving geldend vóór de wetswijziging van 1 juli 2012 toegepast.

4.2. Op 1 juli 2012 is de Wet van 24 november 2011 tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de wet van 24 november 2011 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de invoering van geluidproductieplafonds en de overheveling van hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder naar de Wet milieubeheer (modernisering instrumentarium geluidbeleid, geluidproductieplafonds) (Invoeringswet geluidproductieplafonds) in werking getreden (Stb. 2006, 267 en 268).

Voor de rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorlijnen) is de Wet geluidhinder door inwerkingtreding van de Invoeringswet geluidproductieplafonds vervangen door hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer. Omdat in dit geval het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd op 12 april 2012, derhalve vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet geluidproductieplafonds, zijn ingevolge het overgangsrecht in de Invoeringswet geluidproductieplafonds de Wet geluidhinder en de daarop gebaseerde regelgeving, zoals deze vóór de inwerkingtreding van die wet luidden, op het bestreden besluit van toepassing.

Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat in het akoestische onderzoek onjuiste waarden zijn gebruikt, omdat bij de berekening van geluidsbelasting als gevolg van spoorwegverkeer ten onrechte de ter zake relevante regelgeving geldend vóór 1 juli 2012 is toegepast, faalt.

4.3. Ingevolge artikel 4.9, eerste lid, van het Besluit geluidhinder, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, is de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen 55 dB, in geval van nog niet geprojecteerde woningen, voor zover de woningen zijn gelegen binnen de zone van die spoorweg.

Ingevolge artikel 4.10 kan voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen een hogere dan de in artikel 4.9, eerste lid, genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.

4.4. Nu het plan voorziet in de bouw van woningen en het plangebied binnen de geluidzone van een spoorweg ligt, staat vast dat de Wgh van toepassing is. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de gevels van de in het plan voorziene woningen maximaal 58 dB zal bedragen. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 55 dB met 3 dB overschreden. Uit het akoestisch rapport volgt dat er maatregelen zijn onderzocht om deze geluidsbelasting te verlagen. Deze betreffen het plaatsen van raildempers, een zogenoemde bronmaatregel, en het plaatsen van een geluidswerend scherm langs het spoor, een zogenoemde overdrachtsmaatregel. Volgens het rapport zijn beide maatregelen noodzakelijk om aan de voorkeurswaarde te voldoen. In het rapport zijn de kosten voor deze maatregelen geraamd op € 450.000,00. Daarnaast is het gebruik van geluidwerende bouwmaterialen voor de aanleunwoningen onderzocht. Uit het rapport volgt dat de kosten voor deze zogenoemde gevelmaatregel € 30.000,00 bedragen.

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het college had moeten kiezen voor het plaatsen van raildempers en een geluidswerend scherm, overweegt de Afdeling dat het college zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plaatsen van raildempers en een geluidswerend scherm zeer kostbaar en ingrijpend zou zijn en dat het gebruik van geluidwerende bouwmaterialen voor de aanleunwoningen, mede gelet op het geringe aantal van die woningen, de voorkeur verdient, nu dit eenvoudiger en minder kostbaar zal zijn. Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als gevolg van industrielawaai ten onrechte een te hoge waarde voor de gevels van de voorziene aanleunwoningen is vastgesteld.

5.1. Bij het bestreden besluit heeft het college, om te voorkomen dat de bedrijven op het nabijgelegen industrieterrein door de voorziene aanleunwoningen, zijnde geluidsgevoelige bestemmingen, in hun ontwikkelingen worden beperkt, een hogere waarde voor de geluidsbelasting als gevolg van industrielawaai vastgesteld.

5.2. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Wgh, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, bedoeld in artikel 44, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde voor geprojecteerde woningen 55 dB(A) en voor aanwezige of in aanbouw zijnde woningen 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

5.3. In het rapport wordt voor de gevels van de voorziene aanleunwoningen uitgegaan van een geluidsbelasting van maximaal 52 dB(A) voor het geluid afkomstig van het nabijgelegen industrieterrein.

Bij het bestreden besluit heeft het college voor het aspect industrielawaai een maximale geluidsbelasting van 55 dB(A), derhalve 3 dB(A) meer, vastgesteld. Het college heeft toegelicht dat de bedrijven op het industrieterrein geen uitbreidingsmogelijkheden meer zouden hebben als gevolg van een maximale geluidsbelasting van 52 dB(A) voor de gevels van de voorziene aanleunwoningen, terwijl binnen de zone van het industrieterrein nog wel geluidruimte beschikbaar is. Om te voorkomen dat de geluidzone van het industrieterrein feitelijk wordt beperkt, heeft het college ervoor gekozen om voor de gevels van de voorziene aanleunwoningen een hogere waarde van 51 tot 55 dB(A) vast te stellen voor de geluidsbelasting als gevolg van industrielawaai. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit standpunt bij de vaststelling van het bestreden besluit niet heeft mogen innemen.

Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat bij de vaststelling van het bestreden besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluidhinder als gevolg van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrielawaai.

6.1. Ingevolge artikel 110a, zesde lid, van de Wgh, geeft het college, indien artikel 110f van toepassing is, slechts toepassing aan het derde en vierde lid voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting na de correctie op grond van artikel 110f, derde lid, niet leidt tot een naar zijn oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting.

Ingevolge artikel 110f, eerste lid, dient degene, die bij of krachtens deze wet verplicht is tot het verrichten van een akoestisch onderzoek, indien een van de volgende onderdelen van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde:

a. Afdeling 1 en afdeling 2 van hoofdstuk V,

b. Afdeling 2, 2a, 3 en 4 van hoofdstuk VI,

c. hoofdstuk VII, en

d. hoofdstuk VIII,

van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 40, 52, 74, 106b en 108, of als vastgesteld krachtens artikel 107, ter plaatse van die woningen overeenkomstig de door de minister gestelde regels, tevens onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen.

6.2. Uit het rapport volgt dat voor de voorziene aanleunwoningen de gecumuleerde geluidsbelasting is berekend. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat geen rekening is gehouden met de cumulatie van geluidhinder als gevolg van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrielawaai mist derhalve feitelijke grondslag.

Uit deze berekening volgt dat de cumulatie van geluidhinder, na toepassing van een aftrek van 2,5 dB ingevolge artikel 110g van de Wgh, niet boven de 60 dB ligt.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gecumuleerde geluidsbelasting, als bedoeld in artikel 110a, zesde lid, van de Wgh, aanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

7. Gelet op het vorenstaande kan hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aanvoeren over de vastgestelde hogere waarden voor de voorziene aanleunwoningen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

8. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de bouw van de aanleunwoningen en de daarmee samenhangende ontsluiting van het plangebied leidt tot verhoging van de geluidsbelasting van de gevels van hun woningen, waardoor, naar zij stellen, hun woon- en leefklimaat wordt aangetast, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren zijn gericht tegen voormeld bestemmingsplan en gelet daarop niet in deze procedure aan de orde kunnen komen, maar bij de procedure tegen de vaststelling van dat plan.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Breunese-van Goor

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

408.