Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201202888/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMID:2012:BV2733, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellante] om vergoeding van planschade en toekenning van nadeelcompensatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201202888/1/A2.

Datum uitspraak: 4 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Vlissingen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 2 februari 2012 in zaak nr. 10/597 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellante] om vergoeding van planschade en toekenning van nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het college heeft beslist dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt wegens actieve risicoaanvaarding, het besluit van 24 juni 2010 in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. Boogaard en mr. J.C. Verhage, advocaten te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door W.J.C. Vael en J. Francke, beiden werkzaam bij de gemeente, vergezeld door drs. P.A.J.M. van Bragt, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 22 mei 2013 in zaak 201202888/1/T1/A2 heeft de Afdeling het college opgedragen binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit op bezwaar van 24 juni 2010 te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 2 oktober 2013 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak het besluit van 24 juni 2010 nader gemotiveerd.

Bij brief van 29 oktober 2013 heeft [appellante] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college het ontbreken van een oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en de omzetdaling niet toereikend heeft gemotiveerd. In 2006 kampte [appellante] met een relevante omzetdaling. Daarbij is van belang dat in een groot deel van dat jaar de naar het Bellamypark toeleidende Spuistraat was afgesloten. Vanaf oktober werd in de Spuistraat beperkt doorgaand verkeer toegelaten. Tot april 2006 vonden omvangrijke werkzaamheden plaats en vanaf april zijn de herinrichtingswerkzaamheden uitgevoerd. Eind 2007 zijn de laatste werkzaamheden uitgevoerd. Het college dient te onderzoeken en te motiveren in hoeverre de door [appellante] gestelde schade in 2006 het gevolg is van de werkzaamheden en op grond van de Algemene Nadeelcompensatieverordening Vlissingen (ANV) voor vergoeding in aanmerking komt.

2. Het college heeft het besluit van 24 juni 2010 onder verwijzing naar het advies van de SAOZ van 24 september 2013 nader gemotiveerd en de afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie gehandhaafd.

In het advies is uiteengezet dat [appellante] niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gestelde nadeel het gevolg is van de werkzaamheden. Daartoe is aangevoerd dat tijdens de periode van werkzaamheden in de Spuistraat de belangrijkste wandelroute voor toeristen van het centrum naar de boulevards, meer specifiek de Boulevard De Ruyter via de Kerkstraat en het Bellamypark, langs het bedrijf van [appellante] liep. Deze gewijzigde wandelroute zou eerder hebben moeten leiden tot een hogere omzet. Te meer, omdat [appellante] heeft aangegeven voor de verkoop van hun producten voor een groot deel afhankelijk te zijn van toeristen. De Spuistraat is in 2006 incidenteel afgesloten geweest voor automobilisten. Het bedrijf was wel bereikbaar vanaf de Boulevard De Ruyter en andere omleidingsroutes. De verminderde bereikbaarheid vanaf de Spuistraat heeft tot eind 2007 voortgeduurd. Vanaf augustus 2006 herstelt de omzet zich, hetgeen niet kan worden verklaard door een wijziging van de verkeerssituatie. Daardoor is het volgens het advies niet aannemelijk dat de gedaalde omzet in de eerste maanden van 2006 aan de werkzaamheden zou moeten worden toegeschreven.

3. [appellante] betoogt dat het college zijn besluitvorming niet mocht baseren op het advies van de SAOZ, nu dit advies is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.

3.1. [appellante] heeft niet bestreden dat tijdens de periode van werkzaamheden de belangrijkste wandelroute langs de winkel leidde. Met de stelling dat voetgangersverkeer niet of nauwelijks invloed heeft gehad op de omzet, betoogt zij kennelijk dat de omzetdaling in 2006 bijna geheel moet worden toegeschreven aan de verminderde bereikbaarheid voor automobilisten. In dit verband is van belang dat [appellante] de in het advies beschreven bereikbaarheid van het Bellamypark voor automobilisten niet gemotiveerd heeft bestreden. De enkele stelling dat het Bellamypark tijdens de werkzaamheden voor automobilisten onbereikbaar was, is daartoe onvoldoende. Er is evenmin grond voor haar stelling dat alle motorverkeer door de gemeente werd weggehouden van het Bellamypark. Ook heeft [appellante] niet gemotiveerd bestreden dat de gedaalde omzet in de eerste helft van 2006 niet kan worden toegerekend aan de werkzaamheden. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de omvang van de schade, haar inspanningen om de schade te beperken en de reden van de sluiting van de winkel in januari 2005 en januari 2007, kan niet leiden tot het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de gestelde schade niet het gevolg kan worden geacht van de werkzaamheden.

Het betoog faalt.

4. Anders dan [appellante] betoogt, heeft het college geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule.

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de ANV kan het college, de adviseur gehoord, in bijzondere gevallen van deze verordening afwijken, indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt.

4.2. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van zodanige bijzondere hardheid, dat toepassing van artikel 15, eerste lid, van de ANV is aangewezen.

Het college heeft bij de beoordeling van de vraag of de hardheidsclausule moet worden toegepast gekeken naar bijzondere feiten en omstandigheden. De beslissing om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule, omdat de gestelde schade niet het gevolg is van de werkzaamheden en ook overigens geen sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden, is niet onmiskenbaar onredelijk.

Aan de toezeggingen van de burgemeester, wat daar ook van zij, kan niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college toepassing zou geven aan de hardheidsclausule, ook wanneer het gestelde nadeel niet geacht wordt het gevolg van de werkzaamheden te zijn.

4.3. Anders dan [appellante] betoogt, is evenmin sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college in andere gevallen wel toepassing aan de hardheidsclausule heeft gegeven. Het college heeft daarbij betrokken dat het in die gevallen veelal gaat om aan de rand van de bouwput gevestigde winkels, om het belang van de regionale uitstraling van Vlissingen en om bijzondere omstandigheden, zoals overname binnen een familiebedrijf. Deze omstandigheden doen zich in het geval van [appellante] niet voor.

5. Het hoger beroep is gegrond. Nu het college toereikend heeft gemotiveerd dat de door [appellante] gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt en de beslissing van de rechtbank derhalve juist is, bestaat aanleiding de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, met verbetering van gronden te bevestigen.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen tot vergoeding van bij de [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1416,00 (zegge: veertienhonderzestien euro);

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen aan [appellante] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013

299.