Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2205

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
201206471/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW8630, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206471/1/V1.

Datum uitspraak: 29 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] en [referente],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 juni 2012 in zaak nr. 11/38127 in het geding tussen:

de vreemdeling en de referente

en

de minister van Buitenlandse Zaken, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling en de referente gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling en de referente ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de referente hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling en de referente en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling heeft in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij de referente, haar zuster en naar gesteld haar pleegmoeder, houdster van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

3. De vreemdeling en de referente klagen in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling terecht niet als pleegkind van de referente heeft aangemerkt. Zij voeren aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de referente na de dood van hun moeder als oudste kind de verantwoordelijkheid voor de zorg voor de vreemdeling op zich heeft genomen en dat hun geringe leeftijdsverschil en de omstandigheid dat de vreemdeling de referente hielp in het huishouden er niet aan afdoen dat de vreemdeling van de referente afhankelijk was.

3.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan de staatssecretaris een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 verlenen aan een vreemdeling die als minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals geldend ten tijde van belang, verstaat de staatssecretaris onder minderjarige kinderen tevens niet-biologische adoptie- of pleegkinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin van de desbetreffende hoofdpersoon behoorden.

3.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 28 oktober 2011 op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling als pleegkind feitelijk tot het gezin van de referente heeft behoord. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling en de referente gezamenlijk het huishouden deden, dat de vreemdeling de referente hielp bij de verzorging van haar kinderen en dat het gezien hun geringe leeftijdsverschil bevreemding wekt dat de vreemdeling de referente als pleegmoeder beschouwde. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarmee zijn standpunt niet deugdelijk heeft gemotiveerd, nu hij, in weerwil van voormelde motivering, niet heeft betwist dat de referente van 2004, toen de vreemdeling 13 jaar oud was, tot haar vertrek uit Guinee in 2008 de verantwoordelijkheid voor de zorg voor het gezin als geheel op zich heeft genomen en omdat uit het hiervoor weergegeven beleid niet volgt dat aan leeftijdsverschil betekenis toekomt bij de vraag of een vreemdeling als pleegkind van de desbetreffende referent is aan te merken.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling en de referente voor het overige aanvoeren, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 28 oktober 2011 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling en de referente hebben aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling na het vertrek van de referente is opgenomen in een ander gezin dan dat van de referente en dat haar feitelijke gezinsband met de referente daardoor is verbroken. Volgens de vreemdeling en de referente is dat standpunt strijdig met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

5.1. De aldus opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 10 oktober 2012 in zaak nr. 201112315/1/V1. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond. Hetgeen de vreemdeling en de referente voor het overige hebben aangevoerd behoeft geen bespreking. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2. en 5.1. is overwogen moet het besluit van 28 oktober 2011 worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

7. De staatssecretaris moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 1 juni 2012 in zaak nr. 11/38127;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 28 oktober 2011, kenmerk 0904-10-1063;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling en de referente in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling en de referente het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Hartsuiker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2013

620-747.