Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2196

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201308550/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Rosenburg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308550/2/R6.

Datum uitspraak: 18 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de stichting Stichting Wijkberaad Notenbuurt, gevestigd te Den Haag, en [verzoeker sub 1B],

2. [verzoeker sub 2], wonend te Den Haag, en anderen,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Rosenburg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Zij hebben voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad, de stichting en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 28 oktober 2013, waar zijn verschenen de stichting en [verzoeker sub 1B], vertegenwoordigd door mr. Erkens, advocaat te Rotterdam, [verzoeker sub 2] en anderen, bij monde van [verzoeker sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Sakkee en drs. J.E. Leenders, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door E. Levinga en L.M.G. de Nijs.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van de stichting

2. Voor zover het verzoek van de stichting en [verzoeker sub 1B] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" en de aanduiding "wijzigingsgebied 1" stelt de voorzitter vast dat de door hen gevreesde herontwikkeling van de locatie [locatie A] eerst na wijziging van het plan kan plaatsvinden. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat geen zicht is op het in procedure brengen van een wijzigingsplan voor deze locatie. Onder deze omstandigheden is de voorzitter van oordeel dat met het verzoek in zoverre geen spoedeisend belang is gemoeid.

3. Het verzoek van de stichting en [verzoeker sub 1B] is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" dat voorziet in de herontwikkeling van het bedrijfsterrein en de woningen aan de [locatie B]. Zij voeren aan dat de toegestane bouwhoogtes van 22 m en 28 m onvoldoende zijn onderbouwd en niet passen in de omgeving.

3.1. Het plandeel met de bestemming "Gemengd" voorziet in bouwhoogtes variërend van 13 m aan de zijde van de Kokosnootstraat en de Okkernootstraat tot 28 m aan de zijde van de Oude Haagweg.

In paragraaf 5.2.1 van de plantoelichting staat dat binnen de ambitie "Den Haag als wereldstad aan zee" het streven past naar het creëren van een stedelijker beeld langs doorgaande wegen. De vaak ruim bemeten brede verkeersprofielen met flankerende bebouwing bieden kansen om de doorgaande hoofdverkeersaders te profileren als de dragers van de stedenbouwkundige hoofdstructuur van Den Haag. In het plangebied gaat het om de Oude Haagweg, de Thorbeckelaan en de Groen van Prinstererlaan.

Het uitgangspunt voor toekomstige bebouwingshoogtes langs doorgaande wegen in de structuurvisie Den Haag 2020 is minimaal vijf bouwlagen waar dat ruimtelijk en functioneel inpasbaar is. Langs de gehele Oude Haagweg is in de bestaande situatie al sprake van uiteenlopende bebouwingshoogtes: lage bedrijfsbebouwing, gesloten straatwanden met twee en drielaagse woonbebouwing, open verkavelingen met vier- en vijflaagse woonbebouwing, het Psychiatrische Ziekenhuis Parnassia in een groene setting en een zeven lagen hoog woongebouw op de hoek met de Volendamlaan. In de ruimere omgeving van de Oude Haagweg is bebouwing van zeven en meer bouwlagen ruimschoots aanwezig.

De stedenbouwkundige uitgangspunten voor de locatie [locatie C] zijn opgenomen in het projectdocument "Nieuw Rosenburgstraat 8 en 10 en uitgangspunten voor de herontwikkeling" van 10 oktober 2006 en gaan uit van negen bouwlagen aan de Oude Haagweg waarvan de bovenste bouwlaag is teruggelegd. Dwars op dit blok zijn twee bouwvlakken met appartementen geprojecteerd met een hoogte van 22 m. Tegen de tuinen van de bebouwing aan de Kokosnootstraat, Okkernootstraat, en Thorbeckelaan is bebouwing in de vorm van eengezinswoningen in drie tot vier bouwlagen geprojecteerd met achtertuinen aansluitend aan de tuinen van de bestaande bebouwing. Daarmee sluit het plan trapsgewijs aan op de bestaande bebouwing aan de Thorbeckelaan die uit vier bouwlagen en een hoge kap bestaat. De aansluiting aan de zijde van de Kokosnootstraat wordt ook trapsgewijs uitgevoerd met sprongen van 3 meter tot aan de drielaagse bebouwing met kap. Gezien de aard en karakteristiek van de Oude Haagweg is inpassing van het initiatief [locatie C], zoals is aangegeven in het bestemmingsplan, mede gelet op de omliggende bebouwing uit stedenbouwkundig oogpunt verantwoord, aldus de plantoelichting.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de aan de Oude Haagweg toegestane bouwhoogte van 28 m samenhangt met het aantal te realiseren woningen. Er dient verdichting plaats te vinden en langs doorgaande wegen zijn hogere bouwhoogtes mogelijk. De raad acht een hoogteaccent van 28 m langs de Oude Haagweg aanvaardbaar gelet op het profiel van de Oude Haagweg en de omvang van het bestemmingsvlak.

3.2. Gelet op het vorenstaande stelt de voorzitter vast dat onder meer de plantoelichting een onderbouwing geeft van de toegestane bouwhoogtes. De stichting en [verzoeker sub 1B] hebben niet met stedenbouwkundige gronden aannemelijk gemaakt dat de door de raad gekozen invulling onaanvaardbaar is. Het betoog faalt.

4. De stichting en [verzoeker sub 1B] voeren verder aan dat in het bezonningsonderzoek ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het plan nu het is gebaseerd op een achterhaald bouwplan.

4.1. De raad heeft toegelicht dat de bezonningssituatie is onderzocht aan de hand van de in het ontwerpplan geboden bouwmogelijkheden. In de plantoelichting staat dat wordt voldaan aan de gemeentelijke norm van minimaal twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober. Bij de vaststelling van het plan is de bouwhoogte op diverse plekken aanzienlijk verlaagd. Aangezien de bezonningssituatie hierdoor gunstiger wordt, is geen nieuw bezonningsonderzoek verricht, aldus de raad.

4.2. De stichting en [verzoeker sub 1B] hebben het betoog van de raad niet gemotiveerd betwist. De voorzitter ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie.

5. De stichting en [verzoeker sub 1B] betogen dat de uitvoerbaarheid van het plandeel onzeker is nu de mate van bodemverontreiniging en daarmee de saneringskosten thans nog onduidelijk zijn.

5.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de aard en omvang van de bodemsanering vaststaat, maar dat de details nog moeten worden uitgewerkt. De gronden zijn in eigendom van de projectontwikkelaar. In de verkoop van het gemeentelijk bezit heeft een verrekening plaatsgehad van de noodzakelijke bodemsanering, aldus de raad.

5.2. De voorzitter stelt voorop dat de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plandeel niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg staat. Gelet op de toelichting ter zitting ziet de voorzitter geen aanleiding voor dat oordeel. Het betoog faalt.

6. De stichting en [verzoeker sub 1B] betogen dat de parkeerdruk onaanvaardbaar zal toenemen als gevolg van het plandeel. Zij voeren hiertoe aan dat de parkeerdruk in de bestaande situatie reeds hoog is zodat de raad bij de beoordeling van de parkeerbehoefte vanwege het plandeel niet heeft mogen uitgaan van de algemene, gemeentelijke parkeernorm.

6.1. De raad heeft toegelicht dat de parkeernorm bij woningen afhankelijk is van een aantal factoren zoals de grootte en locatie van de beoogde woningen. De raad stelt verder dat de parkeerdruk in de omgeving als gevolg van het plandeel niet zal toenemen nu in de planregels is bepaald dat binnen de bestemming "Gemengd" op eigen terrein dient te worden geparkeerd.

6.2. In paragraaf 3.3.4 van de plantoelichting staat dat de parkeernormen en de toepassing ervan zijn uitgewerkt in de beleidsnota "Nota Parkeernormen Den Haag". Nieuwbouw- en verbouwplannen worden aan dit beleid getoetst. De parkeernormen zijn als bijlage 2 bij de planregels gevoegd.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de op de plankaart voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

(…)

d. parkeren ten behoeve van de bestemming in gebouwde overdekte parkeerplaatsen;

Ingevolge lid 5.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de bestemming genoemd in artikel 5.1 de volgende regels:

(…)

d. de gebouwde overdekte parkeerplaatsen en de daarbij behorende verkeersruimten, in- en uitritten, toegangsportalen en beluchtingmiddelen mogen uitsluitend binnen de bouwvlakken gebouwd worden;

(…)

f. er mogen niet minder gebouwde overdekte parkeerplaatsen gebouwd worden dan overeenkomstig de parkeernormen als bedoeld in bijlage 2 bij de regels van dit bestemmingsplan is berekend.

6.3. De voorzitter stelt vast dat in de planregels is vastgelegd dat het aantal benodigde parkeerplaatsen vanwege de binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd" voorziene ontwikkelingen binnen dat plandeel dient te worden gerealiseerd. De voorzitter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plandeel leidt tot een verslechtering van de parkeersituatie. In de door de stichting gestelde omstandigheid dat de parkeerdruk reeds hoog is ziet de voorzitter voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de bepaling van de parkeerbehoefte niet in redelijkheid heeft mogen uitgaan van de gemeentelijke parkeernormen. Het betoog faalt.

7. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in het door de stichting en [verzoeker sub 1B] aangevoerde geen aanleiding voor de verwachting dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen grond. Het verzoek dient te worden afgewezen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen

8. [verzoeker sub 2] en anderen richten zich tegen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakopbouw 1" voor zover betrekking hebbende op de woningen aan de Notenstraat en de Okkernootstraat voor zover gelegen tussen de Notenstraat en de Thorbeckelaan en voor zover deze aanduiding niet 2,5 m is teruggelegd ten opzichte van de achtergevel en kort achter de voorgevel begint. Zij voeren daartoe aan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan een amendement is aangenomen om tegemoet te komen aan de bezwaren van de bewoners van benedenwoningen aan de Thorbeckelaan tegen dakopbouwen op de daar tegenover gelegen woningen aan het Notenplein. Het amendement houdt in dat de aanduiding op de bebouwing aan het Notenplein 2,5 m wordt teruggelegd ten opzichte van de achtergevel en kort achter de voorgevel begint. [verzoeker sub 2] en anderen menen dat het amendement te beperkt is uitgelegd, nu de bewoners van de Thorbeckelaan niet alleen uitkijken op de woningen aan het Notenplein, maar tevens op de woningen aan de Notenstraat en de Okkernootstraat voor zover gelegen tussen de Notenstraat en de Thorbeckelaan. Het plan voorziet er dan ook ten onrechte niet in dat dakopbouwen op die woningen 2,5 m van de achtergevel moeten worden teruggelegd, aldus [verzoeker sub 2] en anderen. Het plan leidt in zoverre tot vermindering van bezonning en daarmee tot waardedaling van hun woningen. De raad heeft dit onvoldoende in de besluitvorming betrokken en zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2013 in zaak nr. 201205240/1/T1/R1.

8.1. De raad stelt dat de gemeente Den Haag als doelstelling heeft bewoners aan de stad te binden. Het bieden van de mogelijkheid een dakopbouw te kunnen realiseren draagt hieraan bij. Nadat in stedenbouwkundig opzicht een afweging is gemaakt welke panden geschikt zijn voor een dakopbouw is aan de hand van een bezonningsonderzoek bezien of dit in het bestemmingsplan kan worden toegestaan. De raad stelt zich op het standpunt dat het amendement juist is vertaald in het plan en dat de door [verzoeker sub 2] en anderen gewenste ruimere strekking niet is beoogd door de raad. De woningen van [verzoeker sub 2] en anderen krijgen in de autonome situatie ongeveer 6 mogelijke bezonningsuren. In de nieuwe situatie met dakopbouwen is sprake van ruim 4,5 mogelijke bezonningsuren. Overigens is hierbij nog geen rekening gehouden met het terugleggen van de dakopbouwen aan de achterzijde van de woningen aan het Notenplein. De achteruitgang wat betreft bezonning zal volgens de raad derhalve nog minder bedragen.

8.2. Het betoog van Roosenboom en anderen ter zitting dat uit de plantoelichting volgt dat in de Notenstraat in het geheel geen dakopbouwen zijn toegestaan en de verbeelding in zoverre in strijd met de plantoelichting is vastgesteld kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Uit artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening volgt immers dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het plan, zodat daaraan geen juridisch bindende betekenis toekomt.

De voorzitter stelt vast dat het amendement naar de letter zijn weerslag heeft gevonden in het plan. In het door [verzoeker sub 2] en anderen aangevoerde ziet de voorzitter, mede in aanmerking genomen de stelling van de raad dat deze uitkomst ook was beoogd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het amendement daarmee niet juist is vertaald in het plan. De raad heeft zich voorts op grond van het uitgevoerde bezonningsonderzoek in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de bezonning van de woningen van [verzoeker sub 2] en anderen. Gelet daarop ziet de voorzitter voorts geen grond voor de verwachting dat de door [verzoeker sub 2] en anderen gevreesde waardevermindering van hun woningen zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan in zoverre aan de orde zijn. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2012 leidt niet tot een ander oordeel. In dat verband overweegt de voorzitter dat de raad in de onderhavige situatie, anders dan in de situatie die aan de orde is in de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2012, de gevolgen van het plan voor de situatie van [verzoeker sub 2] en anderen uitdrukkelijk heeft bezien en aanvaardbaar heeft bevonden.

9. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter in het door [verzoeker sub 2] en anderen aangevoerde geen aanleiding voor de verwachting dat het besluit in de bodemprocedure niet in stand kan blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat derhalve geen grond. Het verzoek dient te worden afgewezen.

10. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de stichting en [verzoeker sub 1B] en [verzoeker sub 2] en anderen.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2013

472.