Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2186

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201307135/1/R4 en 201307135/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Compensatiewoning ZWR 1 nabij Lageweg 38" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307135/1/R4 en 201307135/2/R4.

Datum uitspraak: 19 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Ouderkerk aan den IJssel, gemeente Ouderkerk (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant]),

en

de raad van de gemeente Ouderkerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Compensatiewoning ZWR 1 nabij Lageweg 38" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door W. den Hartigh zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor een nieuwe woning op een perceel nabij Lageweg 38 te Ouderkerk aan den IJssel.

4. [appellant] woont op het perceel [locatie]. Hij bezit weilanden tegenover het plangebied. Op deze weilanden houdt hij hobbymatig vee. Er staan op deze weilanden twee schuilgelegenheden waaromtrent een handhavingsprocedure loopt.

[appellant] betoogt dat het plan in strijd met de Wet Dieren is vastgesteld, aangezien het door de vaststelling van het plan niet meer mogelijk is schuilstallen te realiseren op de weilanden binnen een afstand van 50 tot 100 m van de woning, terwijl de Wet Dieren verplicht tot het bieden van schuilgelegenheid.

Voorts betoogt [appellant] dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, aangezien het bestreden besluit wel een woning in het buitengebied mogelijk maakt, maar hem de bouw van een stal wordt geweigerd.

5. De raad stelt dat voor de weilanden het bestemmingsplan "Begraafplaats Lageweg" geldt, op grond waarvan het niet is toegestaan gebouwen op de weilanden te realiseren. Aangezien op grond van dit voor de weilanden geldende plan reeds geen schuilstallen gebouwd mogen worden, leidt de bouw van een woning niet tot belemmeringen voor [appellant], aldus de raad.

Voorts stelt de raad dat de woning wordt opgericht ter compensatie van een in verband met de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg N207 gesloopte woning, zodat de vergelijking met de door [appellant] gewenste bouw van een nieuwe stal in zoverre niet opgaat.

6. Voor de weilanden van [appellant] geldt het bij besluit van 18 december 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Begraafplaats Lageweg".

Blijkens de verbeelding van dit plan is aan de weilanden de bestemming "Agrarisch - Landschappelijke en Natuurwetenschappelijke waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 1, van de planregels, voor zover van belang, zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 2, mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, lid 23 is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Ingevolge lid 18, is een bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of andere materiaal, die op de plaats van bestemming direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

7. De voorzitter overweegt dat de huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden op de weilanden niet worden belemmerd door de bouw van de nieuwe woning, aangezien op grond van artikel 3, lid 2, van de regels van het plan "Begraafplaats Lageweg", geen gebouwen, waaronder de door [appellant] gewenste schuilstallen, op de weilanden van [appellant] mogen worden opgericht.

Naar het oordeel van de voorzitter heeft de raad voorts geen rekening hoeven houden met de mogelijkheid dat in de toekomst een andere planregeling voor de weilanden wordt vastgesteld. Van een dergelijk voornemen is immers niet gebleken en, voor zover een dergelijk voornemen zou ontstaan, resteren er nog mogelijkheden om gebouwen op de weilanden toe te staan.

Over het betoog van [appellant] dat de bouw van een woning leidt tot een beperking van de mogelijkheden om op het perceel [locatie] een stal te realiseren, overweegt de voorzitter dat op kortere afstand van dit perceel reeds woningen zijn opgericht. In zoverre vormt de in het plan voorziene woning reeds om die reden geen verdergaande belemmering voor de bouw van een stal ten opzichte van de huidige situatie.

8. Over de door [appellant] gemaakte vergelijking met de weigering van het gemeentebestuur om hem een vergunning voor de bouw van een schuilstal te verlenen, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de woning wordt opgericht ter compensatie van een elders in de gemeente in verband met de aanleg van de Zuidwestelijke Randweg N207 gesloopte woning. In hetgeen [appellant] aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

9. Het betoog van [appellant] heeft voor het overige betrekking op de handhavingsprocedure ten aanzien van de aanwezige schuilstallen. Dit betoog kan in deze procedure niet aan de orde komen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond.

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013

528-745.