Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201306435/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de het bestemmingsplan "De Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306435/2/R4.

Datum uitspraak: 19 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Noordwijk,

2. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

en

de raad van de gemeente Noordwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2013 heeft de het bestemmingsplan "De Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en het college beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en het college hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar [verzoeker sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. I. Haverkate, advocaat te Amsterdam, het college, vertegenwoordigd door mr. H.J. Zwalve-Erades en mr. P.J.V.M. Severijns, beiden werkzaam bij de provincie, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, en mr. R.A.J. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn [3 belanghebbenden], allen vertegenwoordigd door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Noordwijk, en Zeemotel Zeezicht, vertegenwoordigd door W.J.P. van der Zalm en P.P.A. Hermans, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan bevat een juridisch-planologische regeling voor het zuidelijk deel van de bebouwde kom van Noordwijk aan Zee.

Het verzoek van [verzoeker sub 1]

3. Het beroep van [verzoeker sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" dat betrekking heeft op de gronden aan de Erasmusweg 20, alwaar Zeemotel Zeezicht is gevestigd.

Hiertoe betoogt [verzoeker sub 1] dat het plan in strijd met het gemeentelijk beleid, als neergelegd in de ‘Integrale Ruimtelijke Visie Noordwijk Zeewaardig‘, is vastgesteld, nu het plan voorziet in een uitbreiding van de bouwmassa op dit perceel.

3.1. De raad en Zeemotel Zeezicht hebben ter zitting verklaard dat zij zich niet verzetten tegen schorsing van het bestreden besluit voor zover het betreft het bestreden plandeel. De raad heeft hierbij van belang geacht dat nog een procedure loopt over een onder vrijstelling verleende bouwvergunning voor de uitbreiding van Zeemotel Zeezicht, welke vrijstelling reeds is verwerkt in het plan, en dat partijen in onderhandeling zijn over een minnelijke regeling ter beëindiging van de lopende procedures.

3.2. Gelet op de stellingname van partijen ter zitting ziet de voorzitter aanleiding het bestreden besluit te schorsen, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Horeca" dat betrekking heeft op de gronden aan de Erasmusweg 20.

Het verzoek van het college

4. Het verzoek van het college heeft betrekking op de percelen met de volgende kadastrale aanduidingen: gemeente Noordwijk, sectie A, nummers 3580, 3712, 2132, 2236, 2394 en 3943 (hierna: de percelen).

Het college betoogt dat het plan wat betreft de percelen is vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Verordening Ruimte, actualisering 2012 (hierna: de verordening), aangezien het plan voor de percelen bouwmogelijkheden biedt buiten de bebouwingscontour.

Voorts betoogt het college dat het plan wat betreft de percelen is vastgesteld in strijd met artikel 5.1 van de verordening, aangezien de raad voor de percelen geen bestemming heeft aangewezen die de natuurfunctie rechtstreeks mogelijk maakt.

4.1. De raad voert aan dat een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt, aangezien nog geen aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend. Voorts wijst de raad erop dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend nadat het college heeft verklaard geen bedenkingen te hebben in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998.

De raad betoogt voorts dat de door het college genoemde bepalingen van de verordening onverbindend zijn, aangezien deze bepalingen niet strekken tot bescherming van provinciale belangen. De raad wijst hiertoe op uitlatingen van het college in de discussie tussen het gemeentebestuur en het provinciebestuur over de vraag door welke partij eventuele planschade gedragen dient te worden.

4.2. Blijkens kaart 1 van de verordening liggen de percelen, met uitzondering van het kadastraal perceel gemeente Noordwijk, sectie A, nummer 3943, buiten de bebouwingscontour.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de verordening sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontour (zoals aangegeven op kaart 1) bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Blijkens kaart 3 zijn de percelen aangeduid als bestaande natuur en prioritaire nieuwe natuur. De percelen liggen voorts in het Natura 2000-gebied Coepelduynen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, wijzen bestemmingsplannen voor gronden die op kaart 3 zijn aangeduid als bestaande natuur en prioritaire nieuwe natuur of als waternatuurgebied bestemmingen aan die de natuurfunctie rechtstreeks mogelijk maken en beschermen tegen significante aantastingen van de wezenlijke kenmerken en waarden. Bestaande bebouwing, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding kunnen overeenkomstig het huidige gebruik worden bestemd.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, worden onder bestaande functies en bebouwing begrepen functies en bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening rechtmatig aanwezig zijn, of waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vrijstelling of bouwvergunning is verleend danwel een aanvraag om vrijstelling of bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend, of die in overeenstemming met deze verordening tot stand zijn gekomen, of waarvoor ontheffing van deze verordening is verleend of wordt geacht te zijn verleend. Het vervangen van een rechtmatig aanwezig gebouw door een gebouw van gelijke aard, omvang en karakter wordt hieronder mede begrepen. In alle andere gevallen is sprake van nieuwe functies en nieuwe bebouwing. Onder nieuwe functies of nieuwe bebouwing wordt ook begrepen uitbreiding van bestaande functies en bestaande bebouwing, tenzij anders is bepaald of de bepaling zich daartegen verzet.

4.3. Blijkens de verbeelding is aan voornoemde percelen de bestemming "Wonen - 1" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven;

c. kantoor ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';

d. aan de functies als bedoeld onder a en b gebonden (ondergrondse) parkeervoorzieningen;

e. bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen, waaronder groen, water, erven, tuinen en paden.

4.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 16 februari 2011 (zaak nr. 201005138/1/R3), is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een provinciaal belang, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten.

Blijkens de toelichting op artikel 3 van de verordening is het provinciaal bestuur van mening dat verstedelijking zoveel als mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd dient te worden, zodat de kwaliteit van het bebouwde gebied wordt behouden en versterkt en zodat de open ruimte buiten de stedelijke gebieden wordt behouden voor landbouw, natuur en recreatie. Blijkens de toelichting op artikel 5 van de verordening is de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) aangemerkt als een nationaal en provinciaal belang met als doel de bescherming, instandhouding en verdere ontwikkeling van de biodiversiteit.

Voorshands valt niet in te zien dat het provinciebestuur zich deze belangen niet in redelijkheid als provinciale belangen heeft kunnen aantrekken. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het behoud van de open ruimte buiten stedelijk gebied en de bescherming van de EHS de schaal van de afzonderlijke gemeenten overstijgt. In zoverre kan de concentratie van verstedelijking in bebouwd gebied en de bescherming van de EHS worden aangemerkt als belangen van bovengemeentelijke aard die zich lenen voor behartiging op provinciaal niveau. De voorzitter ziet dan ook geen aanleiding voor het voorlopig oordeel dat de artikelen 3, eerste lid, en 5, eerste lid, van de verordening onverbindend zijn wegens strijd met artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

4.5. Uit artikel 1, vierde lid, van de verordening volgt dat met nieuwvestiging in de zin van artikel 3, eerste lid, van de verordening tevens worden bedoeld bestaande bouw- en gebruiksrechten in bestemmingsplannen waarvan geen gebruik is gemaakt. Nu de percelen, behoudens het kadastraal perceel gemeente Noordwijk, sectie A, nummer 3943, buiten de bebouwingscontour liggen en het plan voorziet in nieuwvestiging van stedelijke functies, acht de voorzitter de aan deze percelen toegekende bestemming in strijd met artikel 3, eerste lid, van de verordening. Voorts zijn alle bedoelde percelen in de verordening aangeduid als bestaande en prioritaire natuur en wordt in het plan aan deze gronden geen bestemming toegekend die de natuurfunctie rechtstreeks mogelijk maakt en beschermt tegen significante aantastingen van de wezenlijke kenmerken en waarden, zodat het plan naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in zoverre ook in strijd met artikel 5, eerste lid, van de verordening is vastgesteld.

Nu niet is uitgesloten dat de eigenaren van de percelen een aanvraag om een omgevingsvergunning zullen indienen voordat in de hoofdzaak uitspraak zal zijn gedaan en gelet op de onomkeerbare gevolgen die daardoor kunnen ontstaan, bestaat aanleiding om het bestreden besluit in zoverre bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen. Aangezien op grond van het vorige plan "Zuidduinen 1982" ook gebouwd mag worden op de percelen en nu het verzoek van het college met name is gericht tegen de door het plan geboden ontwikkelmogelijkheden, ziet de voorzitter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening de regels te schorsen voor zover deze op de percelen de bouw en aanleg van bepaalde voorzieningen mogelijk maken en daarvoor, om te voorkomen dat op dit punt in het geheel geen regels gelden, de regels die gelden voor de bestemming "Natuur" in de plaats te stellen.

5. De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Noordwijk van 29 mei 2013, waarbij het bestemmingsplan "De Zuid" is vastgesteld, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Horeca" dat betrekking heeft op de gronden aan de Erasmusweg 20;

b. artikel 13, leden 13.2, 13.3 en 13.4 van de planregels voor zover deze betrekking hebben op de op kaart 1 bij deze uitspraak aangeduide gronden.

II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de in artikel 8, leden 8.2, 8.3 en 8.4 van de planregels vervatte bepalingen gelden voor de in deze beslissing onder I, onder b, bedoelde gronden;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Noordwijk tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Noordwijk aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [verzoeker sub 1] en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2013

528-745.