Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2183

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201306425/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 20 juni 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306425/1/V2.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2013 in zaken nrs. 13/16224, 13/16226, 13/16228 en 13/16230 in het geding tussen:

[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 20 juni 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris betoogt in de grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het rapport 'On the Position of the Hazara Minority in Afghanistan' van professor Maley van 7 december 2011 (hierna: het rapport van Maley), de aanvulling op dat rapport van 19 november 2012 en het op www.hazarapeople.com gepubliceerde artikel 'Amnesty International: Imminent deportation poses grave risk for Hazaras' safety' van 17 maart 2013 concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid van de conclusie in het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2012 (hierna: het ambtsbericht) over de veiligheidssituatie voor Hazara's. Door daartoe te overwegen dat niet inzichtelijk is waarop de conclusie dat Hazara's geen bijzondere risico's lopen is gebaseerd, terwijl uit het rapport van Maley, de aanvulling daarop en het internetartikel naar voren komt dat Hazara's door hun etniciteit juist wel risico's lopen, heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat het ambtsbericht is gebaseerd op een veelheid aan bronnen en voormelde stukken geen afbreuk doen aan de inzichtelijkheid van het ambtsbericht noch concrete aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de juistheid en volledigheid ervan. Gelet hierop en nu Hazara's in het herkomstgebied van de vreemdelingen één van de grotere etnische groepen vormen, heeft de voorzieningenrechter volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat hij zonder nadere motivering niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdelingen op grond van hun etniciteit niet zijn aan te merken als behorend tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.

1.1. De door de staatssecretaris opgeworpen rechtsvragen over de inzichtelijkheid van de conclusie in het ambtsbericht dat Hazara's in Afghanistan geen bijzondere risico's lopen vanwege hun etniciteit en over de verhouding tussen het rapport van Maley en dat ambtsbericht heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 19 juli 2013 in zaak nr. 201210597/1/V1. Uit rechtsoverweging 5.2 van die uitspraak volgt dat voormelde conclusie inzichtelijk is en dat het rapport van Maley geen concreet aanknopingspunt biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het ambtsbericht. De aanvulling op het rapport van Maley en het internetartikel, voor zover dat ziet op de situatie voor Hazara's in Afghanistan, bieden evenmin concrete aanknopingspunten daarvoor, nu de daarin weergegeven informatie in wezen overeenkomt met hetgeen in het rapport van Maley staat.

1.2. De vreemdelingen hebben verklaard dat zij afkomstig zijn uit een gebied waar voornamelijk Hazara's wonen en dat hun etniciteit geen aanleiding heeft gegeven hun land van herkomst te verlaten. Gelet hierop en nu voorts uit informatie, afkomstig van het Afghaanse 'Ministry of Rural Rehabilitation and Development' en van het 'Refugee Review Tribunal Australia', volgt dat een groot deel van de provincie Wardak uit Hazara's bestaat, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat Hazara's in het herkomstgebied van de vreemdelingen tot één van de grotere etnische groepen behoren en daar dus geen etnische minderheid vormen.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

3. Aan de hierna niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die beroepsgronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgronden, dan wel onderdelen van de bij de rechtbank bestreden besluiten waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

4. De vreemdelingen hebben betoogd dat de staatssecretaris, door zich op het standpunt te stellen dat hun twee minderjarige dochters niet in aanmerking komen voor vergunningverlening op grond van het beleid voor verwesterde Afghaanse schoolgaande meisjes, er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat zij uit Afghanistan zijn gevlucht, in Griekenland onder erbarmelijke omstandigheden hebben geleefd en zich nu in Nederland vrij en veilig voelen en dat de staatssecretaris zich in dit verband onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK).

4.1. De staatssecretaris heeft aan voormeld standpunt ten grondslag gelegd dat bij de totstandkoming van het beleid voor verwesterde Afghaanse schoolgaande meisjes het belang van het kind voorop is gesteld en dat bij de toepassing van dat beleid de daden en de keuzes van de ouders kunnen worden betrokken. Voorts heeft hij erop gewezen dat volgens het beleid bij de beoordeling van de mate van verwestersing onder meer de leeftijd van het meisje in relatie tot de verblijfsduur hier te lande en het volgen van onderwijs bepalend is, waarbij als uitgangspunt geldt dat het meisje ten minste tien jaar oud is en tenminste acht jaar in Nederland verblijft, gerekend vanaf de eerste asielaanvraag. Gelet op het voorgaande, nu de twee dochters thans zes onderscheidenlijk tien jaar oud zijn, hun verblijfsduur in Nederland een paar maanden bedraagt en de staatssecretaris heeft toegelicht dat hij het verblijf in Griekenland heeft betrokken bij zijn beoordeling van de mate van verwestersing en dat de bepalingen van het IVRK op zichzelf niet tot vergunningverlening nopen, doch uitsluitend tot het betrekken van de belangen van het desbetreffende kind, hetgeen hij heeft gedaan, faalt de beroepsgrond.

5. De vreemdelingen kunnen voorts niet worden gevolgd in hun betoog dat de staatssecretaris er bij de beoordeling van hun asielaanvragen ten onrechte aan is voorbij gegaan dat zich in hun geval een combinatie van risicofactoren voordoet. Daargelaten dat de vreemdelingen dit betoog niet nader hebben onderbouwd en in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 1.2, 3 en 4.1 is overwogen, geven de onderscheiden besluiten van 20 juni 2013 er geen blijk van dat de staatssecretaris geen dan wel onvoldoende acht heeft geslagen op hetgeen de vreemdelingen aan hun asielaanvragen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien, ten grondslag hebben gelegd.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2013 in zaken nrs. 13/16224 en13/16228;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

549.