Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201303833/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:2666, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het slopen en bouwen van een woning op het perceel [locatie] te Lisse (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303833/1/A1.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lisse,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2013 in zaak nr. 12/9866 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lisse.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het slopen en bouwen van een woning op het perceel [locatie] te Lisse (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 september 2012 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij besluit van 6 september 2012 heeft het college een gewijzigde omgevingsvergunning verleend, waarbij tevens toestemming is verleend voor bouwen in afwijking van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 13 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.T.M. Lagerweij, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.B.M. Hermans en mr. M. Ransdorp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Dorp" zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woongebied" overeenkomstig de beschrijving in hoofdlijnen bestemd voor woningen met bijbehorende erven en tuinen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming hoofdgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid gelden voor het bouwen de aanduidingen op de kaart, het bepaalde in de beschrijving in hoofdlijnen en de volgende bepalingen:

a. de inhoudsmaat van het hoofdgebouw mag - behalve door middel van uitbouwen die op grond van het bepaalde in dit lid zijn toegestaan - niet worden vergroot;

b. het aantal woningen, zoals aanwezig ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan mag niet worden vermeerderd;

c. het hoofdgebouw van vrijstaande en half-vrijstaande woningen moet op het kernbouwvlak gebouwd worden;

(…)

e. op de gronden, gelegen tussen de openbare weg en de ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van dit plan bestaande, voorgevel van het hoofdgebouw, mogen uitsluitend erfafscheidingen, pergola’s en andere vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;

(…).

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder d, is het college, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het derde lid, onder e, tot het vergroten van het hoofdgebouw aan de voorzijde of het wijzigen van de positie van de voorgevel bij vervangende nieuwbouw.

In artikel 8 wordt in hoofdlijnen beschreven op welke wijze met het onderhavige bestemmingsplan de doeleinden worden nagestreefd, die zijn toegekend aan de gronden binnen het plangebied. Deze hoofdlijnen worden betrokken bij de toetsing van bouwplannen en bij het toepassen van vrijstellings-, uitwerkings- en wijzigingsbevoegdheden.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, is het beleid erop gericht een juridisch-planologisch kader te scheppen voor het behoud en zo mogelijk het versterken van de bestaande kwaliteiten in het gebied, waarvoor het uitgangspunt geldt, dat de bestaande stedenbouwkundige kwaliteiten (rooilijnen, hoogte-opbouw en segmentering) bij eventuele nieuwe invullingen zoveel mogelijk dienen te worden gehandhaafd en gerespecteerd.

2. Het bouwplan voorziet in het slopen van de bestaande en het bouwen van een nieuwe woning op het perceel en is in strijd met artikel 9, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, omdat de nieuwe woning is voorzien op gronden, gelegen tussen de openbare weg en de, ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het bestemmingsplan bestaande voorgevel van het hoofdgebouw en daar geen gebouwen mogen worden gebouwd. Het college heeft besloten van het bestemmingsplan af te wijken met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang gelezen met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en artikel 9, vierde lid, aanhef onder d, van de planvoorschriften.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu met de bouw van de voorziene woning de maximaal toegestane inhoudsmaat als bedoeld in artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, wordt overschreden. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat dit planvoorschrift niet van toepassing is op vervangende nieuwbouw, maar enkel op de uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw.

3.1. Het bouwplan voorziet in een woning met een inhoud van 569 m³. De bestaande woning heeft een inhoud van 200 m³. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in zoverre in strijd is met artikel 9, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, ziet de in dit planvoorschrift opgenomen inhoudsmaat niet enkel op bestaande bebouwing, maar ook op vervangende nieuwbouw. In het planvoorschrift staat weliswaar "vergroten", hetgeen duidt op bestaande bebouwing, maar dat betekent niet dat daarmee wordt uitgesloten dat die inhoudsmaat niet mede van toepassing is op vervangende nieuwbouw. Steun voor dit oordeel wordt gevonden in de omstandigheid dat in artikel 9, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften ook alleen naar bestaande bebouwing wordt verwezen, maar uit de ook hier toegepaste vrijstellingsbepaling van artikel 9, vierde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften volgt dat dit artikel tevens geldt voor vervangende nieuwbouw. Een andere uitleg van de planvoorschriften zou er bovendien toe leiden dat voor vervangende nieuwbouw geen maximale inhoudsmaat geldt en voor het uitbreiden van bestaande woningen en voor nieuwbouw op bepaalde andere locaties in de gemeente wel. De beschrijving in hoofdlijnen van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften maakt dit oordeel, anders dan het college stelt, niet anders, nu daaruit volgt dat een perceel, behoudens één zijtuinvlak, kan worden volgebouwd met uit- en aanbouwen. Voorts is die beschrijving niet concreet genoeg, nu de daarin opgenomen doelen slechts worden nagestreefd.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen de besluiten van het college van 4 en 6 september 2012 alsnog gegrond verklaren. Die besluiten komen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2013 in zaak nr. 12/9866;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Lisse van 4 september 2012 met kenmerk W030490 / 36888 en van 6 september 2012 met kenmerk W026750 / 36881;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Lisse op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lisse tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lisse aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

414-776.