Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201303372/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:866, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 15 februari 2012 heeft het college beslist tot invordering van de als gevolg van het besluit van 28 december 2009, waarbij aan [wederpartij] een last onder dwangsom is opgelegd, verbeurde dwangsom van € 7000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303372/1/A1.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 maart 2013 in zaak nr. 12/3643 in het geding tussen:

[wederpartij] gevestigd te [plaats]

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 15 februari 2012 heeft het college beslist tot invordering van de als gevolg van het besluit van 28 december 2009, waarbij aan [wederpartij] een last onder dwangsom is opgelegd, verbeurde dwangsom van € 7000,00.

Bij besluit van 15 oktober 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 oktober 2012 vernietigd, het besluit van 15 februari 2012 herroepen voor zover hierbij dwangsommen worden ingevorderd met betrekking tot de twee geplaatste hekwerken in de vluchtroute die niet zijn voorzien van wielen en de nooduitgangen die op twee plaatsen waren geblokkeerd door kliko’s en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar het college, vertegenwoordigd door P.C.G.W.M. van der Heijden en mr. M.J.M.J. Heutink, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft tijdens de controles op 14 december 2008, 21 december 2008, 31 december 2008, 1 januari 2009 en 4 januari 2009 een aantal gedragingen geconstateerd dat het in strijd acht met de brandveiligheidsvoorschriften uit het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit) zoals dat luidde ten tijde van belang. Bij controles op 24 april 2009, 26 april 2009 en 19 november 2009 heeft het college een aantal gedragingen geconstateerd dat het in strijd acht met het Gebruiksbesluit. De bij besluit van 28 december 2009 opgelegde last onder dwangsom strekt tot het voorkomen van herhaling van deze overtredingen.

2. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201107782/1/A1) valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 165) af te leiden dat het in artikel IV van de Vierde tranche neergelegde overgangsrecht ten doel heeft eerbiedigende werking toe te kennen aan het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009, indien op die datum sprake was van een lopend handhavingsproces. Om het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009 van toepassing te laten blijven, dient, gelet op deze uitspraak, in een geval als dit, waarbij het college handhavend optreedt wegens overtredingen die hebben plaatsgevonden zowel vóór als na 1 juli 2009, een duidelijke aanwijzing aanwezig te zijn dat vóór 1 juli 2009 sprake was van een lopend handhavingsproces. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juni 2011 in zaak nr. 201007178/1/H1) dient de burgerlijke rechter, indien het voor de inwerkingtreding van de Vierde tranche geldende recht van toepassing is, te oordelen over een geschil omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen. Nu het schriftelijke voornemen tot handhaving bij brief van 26 januari 2009 aan [wederpartij] is verzonden, waarbij zij in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, naar voren te brengen, is het recht zoals dat gold tot 1 juli 2009 op het geschil van toepassing. De burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van een geschil omtrent de invordering van dwangsommen die zijn verbeurd ten gevolge van het besluit van 28 december 2009. Het college had het bezwaarschrift om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2012 van het college gegrond verklaren. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en het door [wederpartij] tegen het besluit van 15 februari 2012 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 maart 2013 in zaak nr. 12/3643;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 15 oktober 2012, kenmerk BZ-12-0150-001;

V. verklaart het door [wederpartij] tegen de brief van 15 februari 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan [wederpartij] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

IX. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

357-712.