Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201302842/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld. Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de bedrijfsruimte op het perceel aan de [locatie]. De raad heeft besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302842/1/R4.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Noordwijkerhout,

en

1. de raad van de gemeente Noordwijkerhout,

2. het college van burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld. Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de bedrijfsruimte op het perceel aan de [locatie]. De raad heeft besloten voornoemde besluiten gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het plan en tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. T.C. Leemans, advocaat te Haarlem en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. J.C.F. Knapp, wethouder en loco-burgemeester bij de gemeente, alsook door E. van Dijck, G. Imthorn en R.E. Koekkoek, allen werkzaam bij de gemeente, en R.J. van Leeuwen, architect, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. F.P. van Galen, advocaat te Leiden, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de uitbreiding van [belanghebbende] op het perceel aan de [locatie]. De uitbreiding wordt in twee fasen gerealiseerd. De omgevingsvergunning voor bouwen is verleend voor de realisatie van fase 1. De realisatie van fase 2 zal later plaatsvinden.

3. [appellant] betoogt dat het plan en de omgevingsvergunning in strijd zijn met de Verordening Ruimte (hierna: de verordening). Hiertoe voert [appellant] aan dat het plan volgens de verordening agrarische bebouwing slechts mag toestaan als die bebouwing wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel dat een maximale omvang heeft van 2 hectare. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat [belanghebbende] gewassen teelt, zodat het bedrijf een agrarisch bedrijf in de zin van de verordening is en de bebouwing op het perceel van [belanghebbende] dientengevolge agrarische bebouwing is. Nu de voorziene bebouwing meer dan 2 hectare beslaat, staat de verordening in zoverre aan het plan in de weg, aldus [appellant].

3.1. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de verordening wordt onder agrarisch bedrijf verstaan: een onderneming, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de verordening bevatten bestemmingsplannen voor gronden gelegen buiten de bebouwingscontouren zoals aangegeven op kaart 1 bepalingen die erin voorzien dat agrarische bebouwing (uitgezonderd kassen) wordt geconcentreerd binnen het bouwperceel dat een maximale omvang heeft van 2 hectare.

3.2. Het perceel is gelegen buiten de bebouwingscontouren zoals aangegeven op kaart 1 in bijlage 2 bij de verordening.

3.3. De term agrarische bebouwing is in de verordening niet gedefinieerd. Voor de uitleg van deze term kan evenwel worden aangesloten bij de definitie van agrarisch bedrijf, mede gelet op de omstandigheid dat artikel 4 is voorzien van het kopje ‘Agrarische bedrijven’. Nu tussen partijen niet in geschil is dat het bouwperceel een maximale omvang van meer dan 2 hectare heeft, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of de activiteiten van [belanghebbende] ter plaatse geheel of overwegend zijn gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen. Ter zitting is vast komen te staan dat [belanghebbende] elders geteelde bloembollen inkoopt. Vervolgens vindt op het perceel aan de [locatie] een bewerking van de bloembollen plaats, waardoor deze op ieder gewenst tijdstip in bloei kunnen worden gebracht. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de activiteiten van [belanghebbende] ter plaatse niet geheel of overwegend zijn gericht op het telen van gewassen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de verordening.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat het plan de uitbreiding op grond van de verordening slechts mag toestaan als de landschappelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast. Aan deze voorwaarde is niet voldaan, omdat de uitbreiding leidt tot een significante aantasting van de openheid van het landschap en van de bestaande zichtlijnen, aldus [appellant]. Volgens [appellant] stelt de raad zich ten onrechte op het standpunt dat uit het onderzoeksrapport "Beplantingsplan uitbreiding bedrijf [belanghebbende] te Noordwijkerhout" (hierna: het onderzoeksrapport) volgt dat de uitbreiding niet leidt tot een significante aantasting van de landschappelijke kwaliteit, omdat in het onderzoeksrapport de uitbreiding van [belanghebbende] als gegeven is beschouwd. Voorts heeft het rapport volgens [appellant] uitsluitend betrekking op fase 1 van de uitbreiding en ten onrechte niet op fase 2.

4.1. Volgens de raad wordt de landschappelijke kwaliteit van het gebied met de voorziene uitbreiding van [belanghebbende] niet significant aangetast, omdat het bedrijf landschappelijk wordt ingepast aan de hand van het beplantingsplan zoals neergelegd in het onderzoeksrapport en dat als bijlage 2 bij de planregels is opgenomen. Met het beplantingsplan sluit de voorziene bebouwing volgens de raad aan op het sterk verdichte en verstedelijkte landschap in de nabije omgeving. De voorziene uitbreiding krijgt met het beplantingsplan een groen frame, dat delen van de bebouwing aan het zicht onttrekt, aldus de raad. Bovendien zorgt het groene frame er volgens de raad voor dat een compartimentering ontstaat, waardoor de resterende delen van het open landschap een eigen karakter krijgen. De raad stelt verder dat het beplantingsplan aansluit bij fase 1 van de voorziene uitbreiding, maar dat het bestemmingsplan als geheel bij de opstelling van het beplantingsplan is betrokken.

4.2. Volgens de verbeelding is aan het grootste gedeelte van het perceel de bestemming "Bedrijf - Handels- en exportbedrijf" toegekend. Aan de oostzijde van het perceel is ook de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1" toegekend. Aan de strook die het perceel aan twee zijden omsluit is de bestemming "Groen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Bedrijf - Handels- en exportbedrijf" bestemd voor handels- en exportbedrijven, alsmede voor de teelt van bollen bij wijze van neventak.

Ingevolge artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder b, van de planregels geldt dat gebruik overeenkomstig de bestemming "Bedrijf - Handels- en exportbedrijf" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1" uitsluitend toelaatbaar is indien het beplantingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2, wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Groen" bestemd voor groen ter bescherming en instandhouding van een goede landschappelijke inpassing van de bebouwing.

4.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de verordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren zoals aangegeven op kaart 1 bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de verordening, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, dienen bestemmingsplannen die betrekking hebben op bestaande stedelijke functies in het gebied buiten de bebouwingscontouren zoals aangegeven op kaart 1, in afwijking van en in aanvulling op het eerste lid, bepalingen te bevatten die voorzien in of in overeenstemming zijn met de volgende regels:

f) bestaande handels- en exportbedrijven in bollen mogen op de bestaande locatie binnen het concentratiegebied van de bollenteelt zoals aangegeven op kaart 2 slechts uitbreiden als de uitbreiding noodzakelijk en doelmatig is, de landschappelijke kwaliteit niet significant worden aangetast (waaronder zichtlijnen en openheid), het verlies aan bollengrond wordt gecompenseerd en financiële afdracht plaatsvindt aan de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij van de waardevermeerdering van het bedrijf als gevolg van het omzetten van bollengrond.

4.4. Het perceel is gelegen binnen het concentratiegebied van de bollenteelt zoals aangegeven op kaart 2 in bijlage 2 bij de verordening.

4.5. Ter zitting is vast komen te staan dat de zichtlijnen rond het perceel van [appellant] thans reeds op meerdere plaatsen zijn onderbroken en dat de openheid van het landschap thans reeds op meerdere plaatsen beperkt is. Verder is vast komen te staan dat de uitbreiding waarin het plan voorziet geen doorbreking van alle zichtlijnen meebrengt. De openheid van het landschap wordt vanaf het perceel van [appellant] bezien in de richting van de voorziene uitbreiding voorts wel beperkt, maar blijft in andere richtingen behouden. Onder deze omstandigheden en gelet op de in de planregels neergelegde verplichting om het bedrijf landschappelijk in te passen heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat het landschap met de voorziene uitbreiding niet significant wordt aangetast. Op grond van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat er gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de verordening.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat er strijd is met een goede ruimtelijke ordening en het evenredigheidsbeginsel. In dat kader stelt hij dat het plan voorziet in forse bebouwing die zich op 50 meter afstand van de woningen bevindt. Volgens [appellant] is voorts niet gebleken dat zijn belangen zijn betrokken bij het nemen van de besluiten.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat van strijd met een goede ruimtelijke ordening en het evenredigheidsbeginsel geen sprake is. Hiertoe stelt de raad dat de bedrijfsuitbreiding noodzakelijk en doelmatig is, en dat deze niet elders kon plaatsvinden. Verder stelt de raad dat aan de geldende richtafstanden wordt voldaan.

5.2. Ter zitting is vast komen te staan dat thans op enige afstand van het perceel van [appellant] reeds bebouwing aanwezig is. Weliswaar wordt bebouwing mogelijk gemaakt dichter op het perceel van [appellant], maar de raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet onaanvaardbaar is. De Afdeling betrekt hierbij dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het belang van [appellant] niet heeft betrokken bij zijn besluit. Evenmin ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van [belanghebbende] bij bedrijfsuitbreiding dan aan het belang van [appellant] bij behoud van zijn huidige uitzicht. Ook overigens ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet op het voorgaande niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt tot een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Postma

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

539-786.