Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201302147/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2012 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302147/1/V3.

Datum uitspraak: 21 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 januari 2013 in zaak nr. 12/37076 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2012 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft de staatssecretaris dat besluit ingetrokken.

Bij mondelinge uitspraak van 29 januari 2013 heeft de rechtbank het door de vreemdeling tegen het besluit van 16 november 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van die wet neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat met de intrekking van het terugkeerbesluit het belang aan het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen dat besluit is komen te ontvallen. Daaraan doet niet af dat de vreemdeling schade wenst te vorderen in verband met de vermeende onrechtmatigheid van de bewaring, die volgens de vreemdeling zijn grondslag vond in het thans ingetrokken terugkeerbesluit. Uitgangspunt is dat schade ten gevolge van een onrechtmatige bewaring op de voet van artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) dient te worden gevorderd in de bewaringsprocedure. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat de intrekking van het terugkeerbesluit in het onderhavige geval dateert van na de uitspraak van de bewaringsrechter. Van belang in dit verband is dat de staatssecretaris zich inmiddels op het standpunt stelt dat de grondslag voor de bewaring niet gelegen is in het ingetrokken terugkeerbesluit, maar in een eerdere - in rechte vaststaande - ongewenstverklaring van 24 juli 2002. Een beoordeling van die stelling van de staatssecretaris valt buiten de omvang van het onderhavige geding, aldus de rechtbank.

4. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen belang heeft en het beroep tegen het terugkeerbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling, door aldus te overwegen, ten onrechte niet onderkend dat het terugkeerbesluit, indien onrechtmatig, als schadeveroorzakend besluit geldt zodat artikel 8:73 van de Awb grondslag biedt om in dit geval schade te kunnen vergoeden. De vreemdeling wijst in dit kader op de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2012 in zaak nr. 201200935/1/V3. De vreemdeling betoogt dat in beroep had moeten worden toegekomen aan de vraag of de ongewenstverklaring van 24 juli 2002 als een terugkeerbesluit geldt.

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 augustus 2005 in zaak nr. 200500772/1), is de bestuursrechter alleen dan tot het beoordelen van rechtsvragen geroepen als dat van betekenis is voor het geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Daarbij geldt dat het doel dat de vreemdeling voor ogen staat, met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis moet zijn. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2009 in zaak nr. 200902638/1/H3), kan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep onder meer bestaan indien wordt gesteld dat schade is geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat dergelijke schade is geleden als gevolg van het besluit.

5.1. De Afdeling begrijpt het besluit van 24 januari 2013 aldus dat de staatssecretaris het terugkeerbesluit met terugwerkende kracht heeft ingetrokken. De rechtbank heeft zich terecht afgevraagd of de vreemdeling gelet hierop nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het terugkeerbesluit.

5.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling na het nemen van het terugkeerbesluit op 16 november 2012 in bewaring is gesteld en dat het besluit tot oplegging van de maatregel van bewaring in rechte onaantastbaar is geworden voor de datum van intrekking van het terugkeerbesluit. De stelling van de staatssecretaris dat de grondslag van de bewaring is gelegen in een eerdere ongewenstverklaring van 24 juli 2002 kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gevolgd. Hierbij betrekt de Afdeling dat over de rechtsgevolgen in deze ongewenstverklaring, voor zover hier van belang, is vermeld dat de vreemdeling Nederland inmiddels heeft verlaten en voor de behandeling van een bezwaarschrift niet naar Nederland mag terugkeren en dat uit het voorblad behorende bij dit besluit volgt dat de vreemdeling zich op dat moment in Madrid bevond. Gelet hierop moet het er voor worden gehouden dat de staatssecretaris er mee bekend was dat op het moment van het nemen van het besluit tot ongewenstverklaring de vreemdeling zich in Spanje bevond en niet heeft beoogd aan hem een terugkeerverplichting op te leggen. Reeds hierom kan de ongewenstverklaring van 24 juli 2002 niet worden aangemerkt als terugkeerbesluit. Nu dit een ambtshalve te toetsen punt betreft, kan in de beoordeling hiervan worden getreden. Gesteld noch gebleken is dat voor het terugkeerbesluit nog eerdere terugkeerbesluiten zijn genomen, die nog niet zijn uitgewerkt. Gelet op het voorgaande staat vast dat het terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegen aan de voornoemde bewaring.

5.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 14 mei 2012 mag een maatregel van bewaring in beginsel uitsluitend worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen.

Zoals de Afdeling verder in deze uitspraak heeft overwogen biedt artikel 8:73, eerste lid, van de Awb de rechtbank de grondslag om, in geval van een gegrondverklaring van een tegen een terugkeerbesluit ingesteld beroep, op verzoek van de desbetreffende vreemdeling de staatssecretaris te kunnen veroordelen tot vergoeding van de schade die de vreemdeling als gevolg van dat terugkeerbesluit heeft geleden en staat de onaantastbaarheid in rechte van het eerdere rechterlijke oordeel over de bewaring daaraan niet in de weg.

5.4. In aanmerking genomen hetgeen is overwogen in 4, 5.2 en 5.3, heeft de vreemdeling tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van het terugkeerbesluit. De rechtbank heeft het door de vreemdeling ingestelde beroep derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Ten onrechte is de rechtbank hierdoor niet toegekomen aan de vragen of gelet op de beroepsgronden het terugkeerbesluit onrechtmatig moet worden geacht en of het terugkeerbesluit daadwerkelijk een voorwaarde voor de rechtmatigheid van de aan de vreemdeling opgelegde bewaring is geweest en dientengevolge schade heeft veroorzaakt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

7. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 januari 2013 in zaak nr. 12/37076;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Nienhuis

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013

466-696.