Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201301996/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:176, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college geweigerd [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een bedrijfshal aan de [locatie] te Maasgouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301996/1/A4.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Maasgouw,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 21 januari 2013 in zaak nr. 12/292 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft het college geweigerd [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een bedrijfshal aan de [locatie] te Maasgouw.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 november 2013.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder c, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met een bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid, wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, voor zover hier van belang, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, is paragraaf 3.2 (de reguliere voorbereidingsprocedure) van toepassing op de voorbereiding van besluiten, tenzij paragraaf 3.3 (de uitgebreide voorbereidingsprocedure) daarop van toepassing is.

Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid, kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.

Ingevolge het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van de artikelen 4:20b, derde lid, en 4:20f, van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag.

Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚, of artikel 2.12, tweede lid.

Ingevolge artikel 4:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens artikel 4:5 uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist.

Ingevolge artikel 2.7 van het Besluit omgevingsrecht worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, onder a, van bijlage II bij het Bor komt een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom in aanmerking voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat van rechtswege vergunning is verleend, omdat het college niet binnen de beslistermijn op haar aanvraag heeft beslist.

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Maasbracht-Brachterbeek". Het bouwplan heeft - naar ook niet in geschil is - betrekking op een bijbehorend bouwwerk dat binnen de bebouwde kom is gelegen. De aanvraag betreft derhalve een geval dat is aangewezen in artikel 4, aanhef en onder 1, onder a, van bijlage II bij het Bor en daarmee een geval als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo. Het college heeft gelet op het vorenstaande de in het geding zijnde aanvraag terecht mede beoordeeld als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo. Gelet op artikel 3.7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is op deze aanvraag de reguliere procedure van toepassing.

2.2. De aanvraag om een omgevingsvergunning is door het college ontvangen op 27 december 2010. Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo diende het college daarop binnen acht weken te beslissen. Bij brief van 18 februari 2011, verzonden op 21 februari 2011, heeft het college de beslistermijn met toepassing van het tweede lid, verlengd tot en met 4 april 2011. Tevens is [appellante] bij deze brief verzocht om binnen vier weken na verzending ervan ontbrekende gegevens en bescheiden aan te leveren. Bij brief van 22 maart 2011 heeft het college deze termijn op verzoek van [appellante] verlengd tot en met 19 april 2011. Op 15 april 2011 heeft het college de gegevens en bescheiden ontvangen waarom het bij brief van 18 februari 2011 had verzocht. De beslistermijn is ingevolge het bepaalde in artikel 4:15, eerste lid, van de Awb gedurende de periode van 22 februari 2011 tot 15 april 2011 opgeschort. Gelet op het vorenstaande diende het college uiterlijk op 26 mei 2011 op de aanvraag te beslissen. Het college heeft daarop tijdig beslist, zodat niet ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb van rechtswege vergunning is verleend.

Het betoog faalt.

3. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college in haar bedrijfseconomische belang om het bouwplan te realiseren aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo de omgevingsvergunning te verlenen.

3.1. Nu de aanvraag een geval betreft als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, was het college bevoegd om toepassing te geven aan de in deze bepaling opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De rechter dient het al dan niet gebruikmaken van deze bevoegdheid daarom terughoudend te toetsen.

3.2. Het college heeft aangevoerd dat er in de gemeente naar wordt gestreefd om het bedrijventerrein waar de bedrijfshal is gelegen een hoogwaardiger uitstraling te geven dan bedrijventerreinen elders in de gemeente hebben. Daarom wil het college aan voormelde afwijkingsbevoegdheid geen toepassing geven, indien de voorgestane bebouwing een verrommeld beeld zal geven. Adviesbureau BRO heeft in haar op 29 maart 2011 aan het college uitgebrachte rapport geadviseerd om geen medewerking te verlenen aan verdere uitbreiding van de bedrijfshal. In dat rapport is gesteld dat na realisering van de voorgestane uitbreiding van de bedrijfshal deze niet langer als een vrijstaande blokvormige bouwmassa valt aan te merken. Volgens het advies zal aaneengeschakelde bebouwing vooral vanaf de Sint Joosterweg een verrommeld beeld geven. Het vorenstaande heeft het college van doorslaggevende betekenis geacht om geen toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º. Het college heeft ook het bedrijfseconomische belang van [appellante], om haar bouwplan te kunnen realiseren, betrokken bij zijn afweging, doch het hiervoor uiteengezette ruimtelijke belang prevaleert volgens het college. Wat [appellante] heeft aangevoerd, leidt gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen toepassing te geven aan de in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° neergelegde afwijkingsbevoegdheid.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat vanwege de inhoud van een welstandsadvies dat op 27 maart 2008 in het kader van de behandeling van een in het verleden door haar ingediende vergunningaanvraag is uitgebracht, bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gevraagde vergunning zou worden verleend.

4.1. Dit betoog faalt ook. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 8 oktober 2008 in zaak nr. 200800761/1), nodig dat er een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan een in rechte te honoreren verwachting kan worden ontleend. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat omtrent verlening van de gevraagde vergunning een toezegging is gedaan in evenbedoelde zin.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

402.