Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201301642/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:7097, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geluidhinder veroorzaakt door een verwarmingsinstallatie op het kantoorpand aan de Amalialaan 126 te Baarn afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301642/1/A4.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Baarn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 december 2012 in zaak nr. 12/3276 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geluidhinder veroorzaakt door een verwarmingsinstallatie op het kantoorpand aan de Amalialaan 126 te Baarn afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door P. Janse en P.J. Verkerk, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De woning van [appellant] aan de [locatie] te Baarn is gelegen nabij het kantoorpand waarop de verwarmingsinstallatie staat. [appellant] heeft een verzoek gedaan om handhavend op te treden tegen Pronam Aurora B.V. als eigenaar van het kantoorpand wegens overschrijding van de geluidgrenswaarden van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer door het in werking zijn van de verwarmingsinstallatie in de nachtperiode.

2. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag- (7.00-19.00 uur), avond- (19.00-23.00 uur) en nachtperiode (23.00-7.00 uur).

Ingevolge artikel 1.1 wordt onder langtijdgemiddeld beoordelingsniveau verstaan het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.

3. Op 22 september 2010 is een meting verricht door het Servicebureau Gemeenten (hierna: SBG), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van dezelfde datum. Volgens dit rapport bedraagt het geluidniveau vanwege het in werking zijn van de verwarmingsinstallatie zonder bedrijfsduurcorrectie ter hoogte van de woning aan de [locatie] 39,5 dB(A). Omdat de installatie tijdens de nachtperiode maximaal 1 uur en 15 minuten in werking is geweest, is SBG wat betreft de bedrijfsduurcorrectie uitgegaan van een bedrijfsduur van 16%, hetgeen resulteert in een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 31,4 dB(A).

In aanvulling op dit rapport heeft SBG een memo opgesteld van 15 mei 2012. Daarin wordt geconcludeerd dat niet de woning aan de [locatie], maar de woning aan de Amalialaan 124 de dichtstbijzijnde woning is. Volgens de memo moet dan ook een afstandscorrectie worden toegepast van 4,4 dB(A) ten aanzien van de resultaten van de meting van 22 september 2010, hetgeen er toe leidt dat het geluidniveau zonder bedrijfsduurcorrectie ter hoogte van de woning aan de Amalialaan 124 43,9 dB(A) bedraagt. In de memo is geconcludeerd dat, teneinde aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode te kunnen voldoen, de verwarmingsinstallatie niet langer dan 41% van de nachtperiode, wat leidt tot een bedrijfsduurcorrectie van 3,9 dB(A), in werking mag zijn.

Het college heeft zich op grond van het rapport en de memo van SBG op het standpunt gesteld dat de geluidgrenswaarden van artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet worden overschreden, zodat het niet bevoegd is handhavend op te treden.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de meting van 22 september 2010 niet representatief is. Volgens hem is de bedrijfsduur van de verwarmingsinstallatie langer dan op 22 september 2010 is gemeten. In dat kader verwijst hij naar twee rapporten van dBKV Geluidsconsulting van 23 juni 2011 en 30 mei 2012. Voorts stelt hij dat uit het rapport van SBG van 22 september 2010 blijkt dat de bedrijfsduur 50% bedraagt en uit de memo van 15 mei 2012 dat deze 41% is.

4.1. Het college heeft toegelicht dat het geluidniveau van de verwarmingsinstallatie op 22 september 2010 langdurig is gemeten. Tijdens die meting is de installatie een aantal malen in werking getreden. Volgens het college geeft die meting dan ook een goed en representatief beeld van het geluidniveau van de verwarmingsinstallatie.

Gelet op deze toelichting, die op zichzelf draagkrachtig is, was het aan [appellant] om concrete aanknopingspunten naar voren te brengen voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van het college dat de meting van 22 september 2010 representatief was. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd daarvoor onvoldoende is. In dat kader overweegt de Afdeling dat in de rapporten van dBKV Geluidsconsulting van 23 juni 2011 en 30 mei 2012 weliswaar wordt gesteld dat de gehanteerde bedrijfsduur van 16% mogelijk te laag is, maar daarin niet aan de hand van concrete gegevens aannemelijk wordt gemaakt dat de normale werking van de verwarmingsinstallatie zodanig afwijkt van hetgeen op 22 september 2010 is gemeten, dat de bedrijfsduur waarvan het college is uitgegaan daadwerkelijk te kort en derhalve niet representatief is.

Voor zover [appellant] stelt dat uit het rapport van SBG van 22 september 2010 blijkt dat de bedrijfsduurcorrectie 50% bedraagt en uit de memo van 15 mei 2012 dat deze 41% bedraagt, is die stelling gebaseerd op een onjuiste lezing van dat rapport en die memo. In dat rapport is in het algemeen gesteld dat bij een standaard geïsoleerd kantoorgebouw en een juist gedimensioneerde verwarmingsinstallatie gecombineerd met een thermostaataansturing die rekening houdt met het feit dat het kantoorgebouw in de nachtelijke uren niet bezet is, verwacht mag worden dat een verwarmingsinstallatie niet meer dan 50% van de tijd in werking is. In dat rapport is echter ook door middel van berekening vastgesteld dat de verwarmingsinstallatie tijdens de meting maximaal 1 uur en 15 minuten in werking is geweest tijdens de nachtperiode. Dit komt neer op een bedrijfsduur van 16%. In de memo is voorts niet vermeld dat de bedrijfsduur 41% is. In de memo is er slechts op gewezen dat het berekende geluidniveau op de gevel van de woning aan de Amalialaan 124 zonder bedrijfsduurcorrectie 43,9 dB(A) bedraagt en dat, om aan de geluidgrenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode te kunnen voldoen, de verwarmingsinstallatie tussen 23.00 uur en 07.00 uur niet langer dan 41% van de tijd in werking mag zijn. Daarmee is niet het standpunt ingenomen dat de verwarmingsinstallatie ook daadwerkelijk 41% van de nachtperiode in werking is.

Het betoog faalt.

5. Voor zover [appellant] betoogt dat hij ook in 2013 meermaals heeft geconstateerd dat de installatie, anders dan waarvan het college in het besluit op bezwaar is uitgegaan, voor 04:00 uur in werking is, faalt dat betoog. Het college heeft ter zitting toegelicht dat uit metingen die in 2013 zijn verricht, is gebleken dat de vorstbeveiliging soms voor 04.00 uur wordt ingeschakeld. De grenswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40 dB(A), die in de nachtperiode geldt, wordt daardoor echter niet overschreden, aldus het college. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid hiervan. Het betoog faalt dan ook.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de verwarmingsinstallatie verscheidene geluidniveaus heeft, zodat de meting van 22 september 2010 niet representatief is. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst hij naar het rapport van dBKV van 23 juni 2011. Uit de in dat rapport neergelegde resultaten van metingen die zijn gedaan ter hoogte van de [locatie], blijkt volgens [appellant] dat de geluidproductie van de installatie grote variaties laat zien. Hij stelt zich op het standpunt dat een nieuwe meting moet worden verricht in de winterperiode, omdat de installatie dan met het hoogste geluidniveau in werking is.

6.1. Het college heeft toegelicht dat tijdens de meting van 22 september 2010 zowel de eerste opstartfase van de verwarmingsinstallatie, bestaande uit het opwarmen tot de gewenste temperatuur, als twee verwarmingsfasen ten behoeve van het continueren van de gewenste temperatuur gemeten zijn. Tijdens de verschillende momenten dat de installatie in werking was, zijn, nog niet gecorrigeerd voor achtergrondgeluid, gemiddelde geluidniveaus gemeten van minimaal 39,6 dB(A) en maximaal 40,3 dB(A). Volgens het college wijst de kleine spreiding van deze geluidniveaus op slechts één bedrijfsstand. Alleen tijdens de eerste fase van het opwarmen van de installatie is een licht hoger gemiddeld geluidniveau vastgesteld van 41,6 dB(A). Ter zitting heeft het college verder te kennen gegeven dat het in 2013 een meting heeft laten verrichten en dat ook toen slechts één geluidniveau is gemeten. Omdat er maar één bedrijfsstand is, maakt het wat het geluidniveau betreft niet uit in welk jaargetijde wordt gemeten, aldus het college.

6.2. Gelet op die toelichting en in aanmerking genomen dat het bedrijf dat de verwarmingsinstallatie heeft geïnstalleerd te kennen heeft gegeven dat de installatie slechts één bedrijfsstand heeft, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verwarmingsinstallatie verscheidene geluidniveaus heeft en de in opdracht van het college gedane meting derhalve niet representatief is. De verwijzing door [appellant] naar het rapport van dBKV van 23 juni 2011 leidt niet tot een ander oordeel, nu in dat rapport, zoals het college onweersproken heeft gesteld, niet alle relevante meetomstandigheden zijn vermeld. Daardoor is het niet mogelijk om te beoordelen of de metingen zijn verricht overeenkomstig de Handleiding en hierdoor evenmin of de resultaten van die metingen een juist beeld geven van de geluidproductie van de verwarmingsinstallatie.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat tonaal geluid ontstaat als de verwarmingsinstallatie in de winter op volle capaciteit functioneert, zodat bij de beoordeling van het langtijdgemiddeld geluidsniveau een toeslag van 5 dB in aanmerking had moeten worden genomen. Volgens [appellant] had het college een meting moeten laten verricht met specialistische apparatuur.

7.1. Ingevolge artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau worden vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de Handleiding. Uit de Handleiding volgt dat in geval van geluid met een tonaal karakter op het gemeten of berekende langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau vanwege de gehele inrichting een toeslag van 5 dB in rekening dient te worden gebracht. Als criterium geldt dat het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar is op het beoordelingspunt.

7.2. Voor zover [appellant] betoogt dat ten onrechte geen meting is verricht met specialistische apparatuur, faalt dat. Een toeslag van 5 dB dient volgens de Handleiding slechts in rekening te worden gebracht, indien het tonale karakter van het geluid duidelijk hoorbaar is. Voor de door [appellant] gewenste meting met specialistische apparatuur bestond dan ook geen aanleiding.

7.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een toeslag voor tonaal geluid geen aanleiding bestond. In dat kader heeft het erop gewezen dat SBG noch dBKV tijdens metingen tonaal geluid hebben waargenomen ter hoogte van de [locatie]. Dit is weliswaar niet het relevante beoordelingspunt Amalialaan 124, maar volgens de memo van SBG van 15 mei 2012 is er geen aanwijzing dat de lage tonen op kortere afstand van de bron duidelijker herkenbaar zijn dan het overige deel van het geluidspectrum. Ter zitting heeft het college nader toegelicht dat het achtergrondniveau ter plaatse van de [locatie] beduidend lager is dan het geluidniveau van de verwarmingsinstallatie. Volgens het college is dan ook niet aannemelijk dat waar ter plaatse van de [locatie] geen tonaal geluid waarneembaar was, dit ter hoogte van de Amalialaan 124 wel duidelijk hoorbaar zou kunnen zijn geweest.

Gelet op deze door het college gegeven motivering, die op zichzelf deugdelijk is, was het aan [appellant] om concrete aanknopingspunten naar voren te brengen voor twijfel aan de juistheid van die motivering. Hetgeen hij heeft aangevoerd, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het college terecht geen rekening heeft gehouden met een toeslag voor tonaal geluid.

Het betoog faalt dan ook.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

457-784.