Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2128

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201301086/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2012, kenmerk R 12-62, heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening Veneind 5, Wintelre" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/731
OGR-Updates.nl 2013-0310
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301086/1/R3.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Wintelre, gemeente Eersel,

en

de raad van de gemeente Eersel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2012, kenmerk R 12-62, heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening Veneind 5, Wintelre" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [partij], namens recreatiebedrijf ’t Caves, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Oord, en de raad, vertegenwoordigd door J.J.M. van Dooren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. F.K.H. van Oostveen, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan bevat een juridisch-planologische regeling voor het bestaande recreatiebedrijf ’t Caves. De huidige recreatieve voorzieningen worden uitgebreid met een sportveld, een 9 holes golfbaan en een pitch- en puttbaan. Het plangebied ligt aan Veneind 5 in Wintelre en beslaat 18,5 hectare.

3. [appellant], die woont op het nabij het plangebied gelegen perceel [locatie] in Wintelre en agrarische gronden heeft grenzend aan het plangebied, betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, omdat hiermee zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast en zijn agrarische bedrijfsvoering wordt belemmerd. Hij vreest dat golfballen van de in het plan voorziene golfactiviteiten op zijn agrarische perceel terecht zullen komen. Een afslagrichting van west naar oost voorkomt dat niet. De door de raad beoogde afscherming met ballenvanghekken is niet met een voorwaardelijke verplichting in de planregels gewaarborgd zoals in de zienswijze was gevraagd.

Voorts betoogt [appellant] dat de mogelijkheden voor ondergeschikte horeca en het houden van evenementen binnen het plandeel met de bestemming "Recreatie" onvoldoende zijn geduid en begrensd. Het standpunt van de raad dat via het sectorale spoor maatwerk kan worden geleverd gaat er aan voorbij dat evenementenvergunningen en horecavergunningen niet zien op ruimtelijke ordening. Ten onrechte is het aantal evenementen per jaar en het maximum aantal toegestane bezoekers per evenement niet gemaximeerd, ook niet door de voorwaarde dat evenementen uitsluitend in de vorm van medegebruik zijn toegestaan.

4. Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder ondersteunende horeca verstaan: een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men uitsluitend ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder 5.1.1, zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verblijfsrecreatieve voorzieningen;

(…)

d. dagrecreatief medegebruik;

met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en overeenkomstig de in lid 5.1, onder 5.1.2, opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

Ingevolge het bepaalde onder 5.1.2, aanhef en onder d, is binnen de bestemming ondersteunende horeca toegestaan, uitsluitend in ondergeschikte vorm en dienstbaar aan de ter plaatse binnen het plangebied toegestane recreatieve voorzieningen en sportvoorzieningen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.1, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. sportvoorzieningen;

(…)

d. extensief recreatief medegebruik;

met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en overeenkomstig de in lid 6.1, onder 6.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

Ingevolge het bepaalde onder 6.1.2, aanhef en onder a, is overeenkomstig de aanduiding " specifieke vorm van sport - 2" een golfbaan en pitch- en puttbaan toegestaan met een bebouwde oppervlakte van 200 m².

Ingevolge de artikelen 5, lid 5.1, onder 5.1.2, aanhef en onder e (Recreatie) en 6, lid 6.1, onder 6.1.2, aanhef en onder b (Sport), gelden voor evenementen de volgende bepalingen:

a. evenementen zijn uitsluitend in de vorm van medegebruik toegestaan.

b. er dient sprake te zijn van een evenement in de vorm van een voor publiek bestemde uitvoering/verrichting van vermaak, op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak.

c. het evenement duurt maximaal 7 (aaneengesloten) dagen.

Ingevolge lid 5.5, onder 5.5.1 en lid 6.5, onder 6.5.1, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder de artikelen 5, lid 5.1, onder 5.1.2, aanhef en onder e onderscheidenlijk 6, lid 6.1, onder 6.1.2, aanhef en onder b, teneinde het tijdelijke gebruik van gronden voor langdurigere evenementen toe te kunnen staan. Hiertoe dient aan het volgende te worden voldaan:

a. er dienen voldoende parkeerplaatsen al dan niet op eigen terrein beschikbaar te zijn;

b. de aan te brengen voorzieningen dienen tijdelijk te zijn; dit betekent dat het houden van een evenement niet mag leiden tot onomkeerbare voorzieningen en/of ingrepen;

c. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;

d. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;

e. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de binnen het gebied aanwezige waarden.

5. Blijkens het bestreden besluit was het zuidoostelijke deel van het plangebied voorheen in gebruik als golfbaan, waardoor golfballen op het aangrenzende agrarische perceel van [appellant] terecht konden komen. Het plan voorziet voor dit deel thans in een driving-range/afslagoefenbaan parallel aan het perceel van [appellant]. Volgens de zienswijzenota is tussen de initiatiefnemer van het plan en [appellant] naar aanleiding van de door [appellant] ingediende zienswijze overleg gevoerd en overeenstemming bereikt over een aanpassing van dit zuidoostelijke gedeelte van het plangebied. Er heeft naar aanleiding van dit overleg een grondruil plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en [appellant] zodat een rechte grens is ontstaan tussen de percelen. Er is verder voorzien in een natuurstrook tussen het golfterrein en het perceel van [appellant] en de Veneindse waterloop is deels verlegd. Op grond hiervan is alsnog tot een betere afscherming tussen de beoogde driving-range en de gronden van [appellant] gekomen waardoor de kans op overlast alsnog afdoende wordt ondervangen, aldus het besluit. Voorts dwingen de ligging en de oriëntatie van het bouwvlak voor de overdekte afslagplaats in een afslagrichting van west naar oost, evenwijdig aan het perceel van [appellant]. De raad achtte het gelet hierop ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet langer noodzakelijk om een voorwaardelijke verplichting in het plan op te nemen.

5.1. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen noodzaak meer was voor het opnemen in de planregels van een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot het aanbrengen van een afscherming door middel van ballenvanghekken. Het betoog faalt in zoverre. Overigens heeft de exploitant van het recreatiebedrijf zich ter zitting in het bijzonder jegens [appellant] bereid verklaard ballenvanghekken met een hoogte van 7,5 m te plaatsen indien onverhoopt mocht blijken dat er, ofschoon niet voorzien, toch nog golfballen op het perceel van [appellant] terecht zouden komen. Het plan staat hieraan niet in de weg.

5.2. De raad stelt zich over de regeling met betrekking tot evenementen op het standpunt dat in het plan op dezelfde wijze als in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" een minimale regeling voor evenementen is opgenomen met als doel om incidentele evenementen van beperkte omvang en/of duur die planologisch beperkt van belang zijn toe te kunnen staan. Dit in combinatie met een meer specifiekere regeling via het sectorale spoor door middel van een evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV).

5.3. In zowel het plandeel met de bestemming "Recreatie" als het plandeel met de bestemming "Sport" is het houden van een evenement mogelijk. Het gebruik hiervan wordt in de planregels beperkt door drie voorwaarden. De evenementen zijn uitsluitend in de vorm van medegebruik toegestaan en moeten bestaan uit een voor publiek bestemde uitvoering/verrichting van vermaak op het gebied van sport, muziek of op sociaal-cultureel vlak. Het evenement mag maximaal zeven aaneengesloten dagen duren. Er zijn geen bepalingen opgenomen ten aanzien van het aantal evenementen per jaar en het maximaal aantal bezoekers per evenement.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juni 2012 in zaak nr. 201109470/1/R4) ligt het op de weg van de planwetgever om een beoordeling en afweging te maken of een bestemming die evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Ook dient deze over onder meer het toegestane aantal evenementen per jaar en de maximale bezoekersaantallen, regels te stellen voor zover dat uit een oogpunt van ruimtelijke aanvaardbaarheid op een locatie van belang is. Deze beoordeling en afweging zijn een andere dan die op grond waarvan in een concreet geval voor een evenement al dan niet vergunning wordt verleend op grond van de APV.

De keuze van de raad om met de regeling in dit plan aan te sluiten bij het voorheen geldende bestemmingsplan kan niet als ruimtelijke onderbouwing worden beschouwd. Daarnaast zijn het aantal en de omvang van evenementen niet beperkt in de planregels, terwijl het volgens het bestreden besluit de bedoeling is slechts incidentele evenementen van beperkte omvang en/of duur die een beperkte planologische betekenis hebben toe te staan. Nu de raad dergelijke beperkingen uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening noodzakelijk heeft geacht, hadden deze in de planregels moeten worden opgenomen. Dat evenementen uitsluitend in de vorm van medegebruik zijn toegestaan, maakt dit niet anders, nu, zoals de raad ter zitting heeft erkend, medegebruik op zichzelf nog niet een beperking met zich brengt. Gelet hierop is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt in zoverre.

5.4. Voor zover [appellant] betoogt dat de ondergeschiktheid van de horeca niet voldoende is geduid en begrensd, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de woorden "ondersteunende horeca, uitsluitend in ondergeschikte vorm en dienstbaar aan toegestane recreatieve voorzieningen en sportvoorzieningen" in de planregels volgt dat de horeca uitsluitend bedoeld is voor de gebruikers van de in het plan voorziene recreatieve en sportvoorzieningen en voorts dat uitgesloten is dat de horeca de hoofdactiviteit wordt. De vrees dat deze bepalingen de ondergeschikte horeca niet duiden en begrenzen ten opzichte van de reguliere horeca is dan ook ongegrond. Het betoog faalt in zoverre.

6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op artikel 5, lid 5.1, onder 5.1.2, onder e, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.1, artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.2, onder b, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.1, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eersel van 29 november 2012, kenmerk R 12-62, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herziening Veneind 5, Wintelre" voor zover het betreft artikel 5, lid 5.1, onder 5.1.2, onder e, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.1, artikel 6, lid 6.1, onder 6.1.2, onder b, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.1 van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Eersel op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw plan vast te stellen voor de onderdelen genoemd onder II en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Eersel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Eersel aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Boermans

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

429-774.