Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201300684/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:4478, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft de minister [appellant] aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300684/1/A3.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 december 2012 in zaak nr. 11/384 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2010 heeft de minister [appellant] aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

Bij besluit van 8 december 2010 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 10 januari 2011 (de Afdeling leest: 8 december 2010) ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2013, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C. de Munck, mr. T.J. van Leeuwen en mr. J.M. Hoogveld, allen werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht bevat het bezwaar- of beroepschrift de gronden van het bezwaar of beroep.

Ingevolge artikel 6:6 kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:24 zijn de artikelen 6:5 en 6:6 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

2. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift geen gronden vermeld, maar de Afdeling verzocht hem een termijn te stellen waarbinnen hij deze alsnog kenbaar kan maken. Bij aangetekende brief van 6 maart 2013 heeft de Afdeling [appellant] een dergelijke termijn gesteld, welke termijn bij aangetekende brief van 25 maart 2013 naar aanleiding van een door hem ingediend verzoek om uitstel is verlengd tot en met 17 april 2013. In de brief van 6 maart 2013 is vermeld dat indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. [appellant] heeft eerst bij een op 19 april 2013 door de Afdeling ontvangen brief, gedateerd op 18 april 2013, hogerberoepsgronden kenbaar gemaakt. Zoals in het verweerschrift van de minister terecht is opgemerkt, heeft [appellant] het verzuim daarmee niet binnen de gestelde termijn hersteld. [appellant] heeft geen reden gegeven voor het niet tijdig herstellen van het verzuim.

3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

582.