Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2121

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201212021/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2011 heeft het COa de verstrekkingen aan de vreemdeling krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) beëindigd onder afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om de opvang krachtens de Rva 2005 te continueren. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201212021/1/V1.

Datum uitspraak: 22 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 29 november 2012 in zaak nr. 11/15693 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2011 heeft het COa de verstrekkingen aan de vreemdeling krachtens de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) beëindigd onder afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om de opvang krachtens de Rva 2005 te continueren. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de verstrekkingen worden gecontinueerd en de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Het COa en de vreemdeling hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft desgevraagd een stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven I en II klaagt het COa dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de medische situatie van de vreemdeling en zijn geringe mobiliteit en zelfredzaamheid zodanig bijzondere omstandigheden zijn, dat zij nopen tot feitelijke opvang door het COa. Het COa voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat nu vaststaat dat de vreemdeling bij het onthouden van opvang niet in een acute medische noodsituatie zal komen te verkeren, en hij ook buiten de opvang aanspraak heeft op verlening van medisch noodzakelijke zorg in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet nopen tot feitelijke opvang. Om die reden kan de vreemdeling evenmin aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) een recht op opvang ontlenen, aldus het COa.

1.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft geen aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan.

Ingevolge het tweede lid kan van het eerste lid worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op de verlening van medisch noodzakelijke zorg.

Ingevolge artikel 64 blijft uitzetting achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van een vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa) is het COa onder meer belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

Ingevolge het tweede lid kan de staatssecretaris het COa taken als bedoeld in het eerste lid opdragen met betrekking tot andere categorieën vreemdelingen.

Ingevolge het derde lid kan de staatssecretaris regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in het tweede lid.

De Rva 2005 strekt ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van de Wet COa.

In artikel 3 van de Rva 2005 is bepaald aan welke categorieën asielzoekers of daarmee gelijk te stellen categorieën vreemdelingen het COa opvang biedt.

Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, stelt het COa aan de in het tweede lid vermelde categorieën asielzoekers gelijk een vreemdeling van wie uitzetting krachtens artikel 64 van de Vw 2000 achterwege blijft, een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f of h, van de Vw 2000, die zich naar het oordeel van de staatssecretaris feitelijk bevindt in dezelfde situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000, alsmede een uitgeprocedeerde asielzoeker met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, die voorafgaand aan de aanvraag om verblijf op medische gronden zijn complete en actuele medische gegevens heeft overgelegd.

Ingevolge het vierde lid draagt het COa zorg voor de centrale opvang van andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede, lid, van de Wet COa na een verzoek hiertoe van de staatssecretaris.

1.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 23 maart 2012 in zaak nr. 201102130/1/V1 (www.raadvanstate.nl), houdt de in artikel 3 van de Wet COa neergelegde wettelijke taak van het COa ook in dat het, hoewel een vreemdeling geen aanspraak heeft op verstrekkingen bij of krachtens de Wet COa, opvang verleent in zeer bijzondere omstandigheden, zoals in geval van een acute medische noodsituatie, die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze omstandigheden niet vallen onder het bereik van de categorieën van artikel 3 van de Rva 2005. Het is evenwel aan de vreemdeling om, indien daartoe aanleiding bestaat, aannemelijk te maken dat van zodanige bijzondere omstandigheden sprake is.

1.3. Het COa heeft toegelicht dat met artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 reeds is voorzien in een aanspraak op opvang voor vreemdelingen met medische problematiek. Omstandigheden van medische aard merkt het COa dan ook niet aan als zodanig bijzonder dat zij nopen tot feitelijke opvang, tenzij zich een acute medische noodsituatie voordoet. Ter beantwoording van de vraag of zodanige situatie zich voordoet, beoordeelt het COa of een vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke dan wel lichamelijke schade. Dat die situatie zich voordoet, behoeft niet aan het onthouden van opvang in de weg te staan, indien de desbetreffende vreemdeling aanspraak heeft op een voorziening in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000, die het intreden van de gevolgen van het achterwege laten van medische behandeling voorkomt.

1.4. De rechtbank heeft overwogen dat het COa zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet behoort tot een van de categorieën vreemdelingen bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Rva 2005. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het COa zich evenzeer terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde medische documentatie niet heeft aangetoond dat zich bij het onthouden van opvang een acute medische noodsituatie zal voordoen. Deze overwegingen bestrijdt de vreemdeling in hoger beroep niet, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

1.5. De omstandigheden die de vreemdeling naar voren heeft gebracht, daaronder begrepen zijn geringe mobiliteit en zelfredzaamheid, hebben uitsluitend betrekking op zijn medische situatie. Reeds omdat in rechte vast staat dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zich bij het onthouden van opvang een acute medische noodsituatie zal voordoen, heeft het COa zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet nopen tot feitelijke opvang.

1.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 24 januari 2013 in zaak nr. 201203791/1/V1) kan uit artikel 8 van het EVRM noch uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) worden afgeleid dat voor de Staat een algemene verplichting bestaat om aan een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling opvang te verlenen. Wel kan uit de jurisprudentie van het EHRM worden afgeleid dat het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven - dat mede de fysieke en psychische integriteit van een persoon omvat - onder omstandigheden verplichtingen voor de Staat meebrengt om dat recht te waarborgen. Derhalve kan in een voorkomend geval het recht op respect voor het privéleven van een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling relevant zijn voor de vraag of op de Staat een verplichting rust om die vreemdeling opvang te verlenen. Voor zover die verplichting voortvloeit uit de medische situatie van een hier te lande verblijvende vreemdeling, voldoet de Staat daar aan door de voorzieningen die het COa biedt ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder f, g en n, van de Rva 2005 en de feitelijke opvang door het COa in geval van een acute medische noodsituatie.

Nu de vreemdeling, gelet op het onder 1.4. overwogene, niet behoort tot een van de categorieën vreemdelingen bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Rva 2005 en niet heeft aangetoond dat zich bij het onthouden van opvang een acute medische noodsituatie zal voordoen, kan hij ook aan artikel 8 van het EVRM geen recht op opvang ontlenen.

1.7. De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen het COa voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 29 november 2012 in zaak nr. 11/15693;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Groeneweg

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2013

32-747.