Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2118

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201211355/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211355/1/V2.

Datum uitspraak: 21 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2012 in zaken nrs. 12/35484 en 12/35483 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 november 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris betoogt in de grief dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 9 november 2012 is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd over de situatie voor Hazara's in Afghanistan, dat hem tot voormeld oordeel heeft gebracht, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen.

1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

1.3. De vreemdeling heeft eerder, op 10 april 2010, een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Die aanvraag is bij besluit van 26 april 2011 afgewezen. Het besluit van 9 november 2012 is van gelijke strekking als dat van 26 april 2011, zodat op het daartegen ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

1.4. Aan de thans voorliggende aanvraag van 8 oktober 2012 heeft de vreemdeling ten grondslag gelegd dat de situatie voor Hazara's in Afghanistan in het algemeen, en de provincie Ghazni in het bijzonder, sinds het eerdere besluit van 26 april 2011 is verslechterd. Ter staving van dit betoog heeft hij het rapport 'On the Position of the Hazara Minority in Afghanistan' van professor William Maley van 7 december 2011 (hierna: het rapport van Maley) overgelegd. Voorts heeft hij verwezen naar het artikel 'Afghanistan: 100 lashes for teen shows why climate of violence against women must be tackled' van Amnesty International van 20 september 2012, het 'Quarterly Data Report' van The Afghanistan NGO Safety Office van oktober 2012, het rapport 'The situation in Afganistan and its implications for international peace and security' van de United Nations General Assembly Security Council van 13 september 2012 en het rapport '2011 Country Reports on Human Rights Practices - Afghanistan' van het US Department of State van 25 mei 2012.

1.5. Uit het rapport van Maley blijkt niet dat de situatie voor Hazara's in Afghanistan in het algemeen, en in de provincie Ghazni in het bijzonder, ten tijde van de totstandkoming van het besluit van 9 november 2012 wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van het besluit van 26 april 2011 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2013 in zaak nr. 201207330/1/V2). Uit de overige overgelegde stukken blijkt dit evenmin. Derhalve is op voorhand uitgesloten dat het aldus aangevoerde kan afdoen aan het besluit van 26 april 2011.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens in zijn hogerberoepschrift aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

3. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 8 oktober 2012 tevens ten grondslag gelegd dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, in de provincie Ghazni in het bijzonder, zodanig is verslechterd dat zich daar thans de situatie voordoet, waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bescherming biedt. Daartoe heeft hij verwezen naar de hiervoor onder 1.4 vermelde stukken.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201111523/1/V2) kon uit de in die zaak overgelegde documenten, in het licht van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 20 juli 2010, N. tegen Zweden, nr. 23505/09 (JV 2010/373), 13 oktober 2011, Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09 (www.echr.coe.int) en 9 april 2013, H. en B. tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 70073/10 en 44539/11 (www.echr.coe.int), niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in Afghanistan dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid daar, een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging.

3.2. De door de vreemdeling overgelegde stukken, voor zover deze niet reeds bij het arrest van 9 april 2013 zijn betrokken, bieden geen grond voor het oordeel dat de mate van willekeurig geweld ten tijde van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de provincie Ghazni, louter door zijn aanwezigheid daar, een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging (vergelijk voormelde uitspraak van de Afdeling van 25 april 2013 in zaak nr. 201207330/1/V2). Derhalve is op voorhand uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het besluit van 26 april 2011.

4. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 9 november 2012 geen plaats.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2012 in zaak nr. 12/35483;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013

549.