Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201210668/1/A4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2012 heeft het college aan Koudasfalt een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een asfaltcentrale op het perceel Gouderaksedijk 34 te Gouda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210668/1/A4.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Gouda,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koudasfalt B.V., gevestigd te Gouda,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2012 heeft het college aan Koudasfalt een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een asfaltcentrale op het perceel Gouderaksedijk 34 te Gouda.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en Koudasfalt beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 augustus 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigden], en Koudasfalt, vertegenwoordigd door mr. B.O. Deege, J.H. de Moree en J.H. Hop, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.D. van Oostveen, B. de Hoop, ing. M.J.H. Kijzers en W. Landlust, allen werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden-Holland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

3. [appellant sub 1] betoogt dat het college in de vergunning had moeten voorschrijven dat de schoorsteen wordt verhoogd van 30 m tot 50 m teneinde geurhinder te beperken. Hij stelt in dit verband dat de verhoging van een schoorsteen als geurbeperkende maatregel wordt genoemd in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) en dat het college een afweging had moeten maken tussen de kosten en effecten van die maatregel. Voor zover het college verwijst naar de geurnormen in de NeR voert hij aan dat de NeR geen rekening houdt met de situering van een inrichting, zoals in dit geval, nabij een historisch stadscentrum.

3.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 3.1 mogen ter plaatse van de aaneengesloten geurgevoelige objecten de geurimmissieconcentraties van 10 OUE/m3 als 99,99-percentiel en 2 OUE/m3 als 98-percentiel niet worden overschreden. Ter plaatse van de verspreid liggende woonbebouwing, zuid/zuidoostelijk gelegen van het bedrijf, mogen de geurimmissieconcentraties van 25 OUE/m3 als 99,99-percentiel en 5 OUE/m3 als 98-percentiel niet worden overschreden.

Ingevolge voorschrift 3.2, onder b, bedraagt de schoorsteenhoogte minimaal 30 m, gemeten vanaf het maaiveld.

3.2. Het college heeft zich bij het stellen van de geurvoorschriften gebaseerd op de bijzondere regeling C5 asfaltmenginstallaties van de NeR. In voorschrift 3.1 is in overeenstemming met paragraaf 3.6 van de NeR en de bijzondere regeling onderscheid gemaakt tussen aaneengesloten bebouwing en verspreid liggende bebouwing. In zoverre heeft het college, anders dan [appellant sub 1] betoogt, rekening gehouden met de situering van de asfaltcentrale nabij woonbebouwing. De in voorschrift 3.1 gestelde geurnormen, die overigens niet worden bestreden, komen overeen met de waarden voor het acceptabel hinderniveau uit de bijzondere regeling. Niet in geschil is dat deze geurnormen bij een schoorsteenhoogte van minimaal 30 m kunnen worden nageleefd.

In de bijzondere regeling is vermeld dat in situaties waar de geurbelasting boven het acceptabel hinderniveau ligt, aanvullende maatregelen, zoals het verhogen van de schoorsteen, mogelijk zijn. Anders dan [appellant sub 1] veronderstelt zijn de in de bijzondere regeling genoemde aanvullende maatregelen niet verplicht en komen deze pas aan de orde als de geurbelasting boven het acceptabel hinderniveau ligt. Nu de in voorschrift 3.1 opgenomen geurnormen overeenkomen met het acceptabel hinderniveau als bedoeld in de bijzondere regeling, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorschrijven van een hogere schoorsteen niet nodig is in het belang van de bescherming van het milieu.

De beroepsgrond faalt.

4. [appellant sub 1] betoogt dat het college het accepteren, opslaan en in het productieproces brengen van asfaltgranulaat expliciet had moeten verbieden dan wel nadere voorschriften daarover aan de vergunning had moeten verbinden. Hij stelt dat asfaltgranulaat mogelijk onder 'alternatieven' als genoemd in tabel B4 van de vergunningaanvraag valt. Verder voert hij aan dat het gebruik van asfaltgranulaat leidt tot meer stankoverlast en emissies van PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen).

4.1. In tabel B4 van de vergunningaanvraag zijn de te gebruiken grondstoffen en producten opgesomd. Daarin is asfaltgranulaat niet opgenomen. In de tabel zijn onder meer grind, steenslag en alternatieven genoemd. Onder alternatieven worden volgens de tabel verstaan vervangende producten die voldoen aan de in het Bouwstoffenbesluit gestelde kwaliteitseisen voor categorie 1 bouwstoffen. Hiermee is niet beoogd het gebruik van asfaltgranulaat aan te vragen. Gelet op het vorenstaande is, zoals Koudasfalt ter zitting heeft bevestigd, het accepteren, opslaan en in het productieproces brengen van asfaltgranulaat niet aangevraagd. Evenmin zijn deze activiteiten bij het bestreden besluit vergund. Het college behoefde derhalve niet een verbodsbepaling dan wel nadere voorschriften hieromtrent in de vergunning op te nemen.

De beroepsgrond faalt.

5. Koudasfalt betoogt dat de in vergunningvoorschrift 11.7 opgenomen termijn voor het realiseren van de omkasting te kort is. Daartoe voert zij aan dat het voor de bedrijfsvoering van belang is dat de werkzaamheden in de winterperiode, zijnde eind december tot midden februari, plaatsvinden, omdat de asfaltinstallatie in die periode niet in bedrijf is. Verder dient de termijn voor het realiseren van de omkasting volgens Koudasfalt te beginnen na het onherroepelijk worden van de vergunning, omdat eerst op dat moment de bouwvergunning in werking treedt. Koudasfalt wijst er ten slotte op dat het aanbrengen van een omkasting een kostbare investering vergt.

5.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 11.7 moeten de maatregelen zoals de omkasting uiterlijk op 1 juli 2013 zijn getroffen en moet uiterlijk op die datum worden voldaan aan de geluidnormen in voorschrift 11.1.

5.2. Het aanbrengen van een omkasting van de asfaltmenginstallatie is in de vergunningaanvraag opgenomen en strekt er toe een aanvaardbaar geluidniveau te realiseren voor nabij de inrichting gelegen woningen.

Koudasfalt heeft niet aannemelijk gemaakt dat de in voorschrift 11.7 opgenomen termijn feitelijk te kort is om de omkasting te kunnen realiseren. Verder is de bouwvergunning in werking getreden op het moment dat het bestreden besluit in werking is getreden.

Het college heeft bij de bepaling van de termijn rekening gehouden met de belangen van de omwonenden, de zoneringsproblematiek op het industrieterrein en de omstandigheid dat de bouwvergunning voor de omkasting reeds was verleend. Het college heeft de belangen van de omwonenden om de geluidbelasting te reduceren zwaarder laten wegen dan de economische belangen van Koudasfalt bij een nog langere termijn. In hetgeen Koudasfalt heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid deze termijn heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Maesen de Sombreff

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

190-720.