Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201210411/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan [belanghebbende] voor de vestiging van een veehouderijbedrijf aan de [locatie] te [plaats], gemeente [plaats] (hierna: de vergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210411/1/R2.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend aan [belanghebbende] voor de vestiging van een veehouderijbedrijf aan de [locatie] te [plaats], gemeente [plaats] (hierna: de vergunning).

Bij besluit van 26 september 2012, kenmerk 2012/0216990 A12-033, heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, nemen, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens gedeputeerde staten een besluit nemen, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2. De gevraagde vergunning is verleend krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 ten behoeve van de vestiging van een melkrundveehouderij aan de [locatie] te [plaats] in verband met de mogelijke gevolgen van deze activiteit voor het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". De beoogde locatie voor de vergunde veehouderij is op ongeveer 1.100 meter afstand gelegen van dit gebied. De beëindiging van de melkrundveehouderij aan de [locatie a] te [plaats] is bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.

Het college heeft bij het verlenen van de gevraagde vergunning en bij het besluit op bezwaar aansluiting gezocht bij het "Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen" (hierna: het Beleidskader) en de aan de hand daarvan vastgestelde "Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel" (hierna: de Beleidsregel). Het college stond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op het standpunt dat toepassing van de Beleidsregel en het Beleidskader tezamen kan worden aangemerkt als een passende beoordeling en dat het zich op grond van die beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.

3. [appellanten] betogen onder andere dat met betrekking tot de beoordeling van de gevolgen van de ammoniakemissie van het te vestigen bedrijf ten onrechte het Beleidskader en de Beleidsregel zijn toegepast. Hierdoor is ten onrechte geen passende beoordeling gemaakt ten behoeve van het besluit.

4. Onder verwijzing naar de uitspraak van 22 mei 2013 (zaak nr. 201107526/1/T1/A4) overweegt de Afdeling dat het college zich met de enkele verwijzing naar het Beleidskader en de Beleidsregel, in strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998, niet ervan heeft verzekerd dat het project niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek". Het betoog slaagt.

5. Het beroep is gegrond. Het besluit op bezwaar van 26 september 2012 dient wegens strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Ter informatie aan partijen merkt de Afdeling op dat, voor zover het college ter zitting heeft gesteld thans nog over onvoldoende gegevens te beschikken om een nieuwe beoordeling te kunnen maken, de aanvrager om het aanleveren van de benodigde gegevens kan worden verzocht.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 26 september 2012, met kenmerk 2012/0216990 A12-033;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

458-723.