Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201205048/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2012, kenmerk A.7354, heeft het college het uitwerkingsplan "Molenbeek fase 1" vastgesteld. Bij besluit van 29 maart 2012, nr. 202, heeft de raad het exploitatieplan "Molenbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205048/1/R2.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Nunspeet,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Nunspeet,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Nunspeet,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet en de raad van de gemeente Nunspeet,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2012, kenmerk A.7354, heeft het college het uitwerkingsplan "Molenbeek fase 1" vastgesteld. Bij besluit van 29 maart 2012, nr. 202, heeft de raad het exploitatieplan "Molenbeek" vastgesteld.

Tegen het besluit van 14 februari 2012 hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft tevens beroep ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2012.

Het college en de raad hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2012, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.M. Ubink, advocaat te Zwolle, [appellant sub 3], het college van burgemeester en wethouders en de raad, beide vertegenwoordigd door E.H. van der Geest, A. Arends, A.J. van Putten, M. Haan en R. Haayer, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. P.J. Bouterse en E.J. van Baardewijk, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 31 oktober 2012, in zaak nr. 201205048/1/T1/R2, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het bij besluit van 14 februari 2012 vastgestelde uitwerkingsplan "Molenbeek fase 1" te herstellen. Tevens heeft de Afdeling bij deze tussenuitspraak de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het bij besluit van 29 maart 2012 vastgestelde exploitatieplan "Molenbeek" te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak beoogd de in de tussenuitspraak omschreven gebreken in het besluit van 14 februari 2012 te herstellen door dit besluit gedeeltelijk te herzien bij besluit van 22 januari 2013, kenmerk A.0009207. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak beoogd de in de tussenuitspraak omschreven gebreken in het besluit van 29 maart 2012 te herstellen door dit besluit gedeeltelijk te herzien bij besluit van 20 december 2012, kenmerk R.0002710.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld naar voren te brengen. Zij hebben hiervan bij brieven van respectievelijk 19 maart 2013, 12 maart 2013 en 8 maart 2013 gebruik gemaakt.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stuken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 16 september 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. F. Reith, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A.M. Ubink, advocaat te Zwolle, en bijgestaan door [deskundige], [appellant sub 3], en het college van burgemeester en wethouders en de raad, beide vertegenwoordigd door ir. M.J. de Haan, ir. W.A. van Beek-Vlaanderen Oldenzeel, A. Arends en N. Jeurink, allen werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. P.J. Bouterse en E.J. van Baardewijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Het uitwerkingsplan

1. Het plan is een uitwerking van het bestemmingsplan "Molenbeek", dat door de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907364/1/R2, onherroepelijk is geworden. Het plan is een uitwerking van gronden met de bestemming "Wonen-Uit te werken" en strekt ertoe een gebied aansluitend aan de bebouwde kom in Nunspeet in te richten voor woningbouw.

Het besluit van 14 februari 2012

2. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Afdeling heeft het college in de tussenuitspraak opgedragen om binnen 16 weken na verzending daarvan:

- met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen te onderzoeken of de realisering van het plan onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waardevolle houtwallen in het plangebied en te bezien of het besluit in het licht van de uitkomsten van dit onderzoek in stand kan blijven of dat het besluit moet worden gewijzigd door vaststelling van een andere planregeling;

- het besluit te wijzigingen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Groen" achter het perceel Wezenland 31;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

2.1. Gelet op de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 14 februari 2012 gegrond en dient dit besluit in zoverre te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Voor het overige is het beroep van [appellant sub 2] gelet op hetgeen daarover in de tussenuitspraak is overwogen ongegrond.

Het besluit van 22 januari 2013

3. Bij het besluit van 22 januari 2013 heeft het college het uitwerkingsplan gewijzigd vastgesteld, onder meer in die zin dat de bestemming "Groen" achter het perceel Wezenland 31 is gewijzigd in de bestemming "Wonen". Het college heeft daarnaast een gewijzigde planregeling vastgesteld teneinde de cultuurhistorisch waardevolle houtwallen in het plangebied te kunnen behouden. Zo is onder meer aan verschillende gronden in het plangebied de bestemming "Tuin-2" toegekend.

4. Het besluit van 22 januari 2013 is gezien artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Wezenland 31

5. [appellant sub 2] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het besluit van 22 januari 2013 kan verenigen voor zover dit ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" achter het perceel Wezenland 31. Gelet hierop moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2] in zoverre worden geacht te zijn ingetrokken.

Cultuurhistorisch waardevolle houtwallen

6. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het college zich niet mocht baseren op de notitie "Maatregelen behoud houtwallen Molenbeek fase 1" van Purple Blue van 16 januari 2013 (hierna: de notitie van Purple Blue). Zij stellen dat de onderzoeksmethode, die volgens hen louter bestaat uit een veldinventarisatie, een onvolledig beeld geeft van de feitelijke situatie. Volgens hen hadden metingen in de grond moeten worden gedaan. Het onderzoek is bovendien onvolledig nu onder meer geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van ophoging van de bodem in verband met de bodemluchthuishouding en doorwortelbare ruimte, alsmede naar de gevolgen van ontwatering. [appellant sub 1] stelt in dit verband dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen voor individuele bomen, waaronder ook de bomen op gemeentegrond. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betwisten voorts de onderzoeksgegevens en -resultaten ten aanzien van de ligging en omvang van de kroonprojecties van de bomen. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wijzen in dit verband op de "Bomen Effect Analyse, diverse bomen op en nabij perceel Wezenland 31 en 34 in Nunspeet" van Treevision van 2 maart 2013 (hierna: de bomen effect analyse). [appellant sub 1] heeft ter onderbouwing van zijn betoog het rapport "Second Opinion bij een houtwal aan de [locatie 1] in Nunspeet" van 4 maart 2013 van tree-O-logic (hierna: de second opinion van tree-O-logic) ingebracht.

Mede op basis van het voorgaande betogen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat aan de randvoorwaarden, als bedoeld in de notitie van Purple Blue, en zoals deze zijn overgenomen in de plantoelichting, niet kan worden voldaan. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben hiertoe de notitie "Second opinion notitie maatregelen behoud houtwallen Molenbeek fase 1" van Treevision van 4 maart 2013 (hierna: de second opinion van Treevision) ingebracht. Tevens hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 3] de rapporten "Wezenland als ontsluitingsweg" van XTNT van 29 januari 2013 (hierna: het rapport van XTNT) en "Aanvulling second opinion Ontsluiting Molenbeek via Wezenland" van XTNT van 24 juni 2013 (hierna: de aanvulling second opinion van XTNT) ingebracht. Op basis hiervan stellen zij dat gelet op de randvoorwaarden in de notitie van Purple Blue de Wezenland niet op een verkeersveilige manier als ontsluitingsweg kan worden ingericht.

6.1. Het college stelt dat het zich mocht baseren op de notitie van Purple Blue. Het college weerspreekt dat het hieraan ten grondslag liggende onderzoek uitgaat van onjuiste gegevens. Volgens het college zijn alle bomen in de waardevolle houtwallen geïnventariseerd en ingemeten. De specifieke kenmerken van de houtwallen zijn benoemd en de functies van de aangrenzende gronden, de soort bomen, de hoogteligging van de houtwallen en het aangrenzend maaiveld, de gesteldheid van de bomen en de omvang van de kroonprojecties zijn in kaart gebracht, aldus het college. Een en ander heeft onder meer plaatsgevonden op grond van veldonderzoek. De uitkomsten hiervan zijn vervolgens vertaald in voorwaarden en uitgangspunten en onder andere vastgelegd in de planregels, maar ook opgenomen in de plantoelichting. Zo zal ophoging alleen plaatsvinden in de nabijheid van de houtwallen indien dit strikt noodzakelijk is voor de woningen. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de bodemluchthuishouding niet wijzigt ten opzichte van de bestaande situatie, aldus het college. Het college wijst verder op het eerder uitgevoerde onderzoek naar de grondwaterstand, zoals vervat in de notitie van Tauw van 15 juni 2012. Het college stelt verder dat een gewijzigde planregeling is vastgesteld ter behoud van de houtwallen. Zo is de bestemming "Tuin - 2" toegevoegd en is een gevellijn opgenomen. Het college stelt daarnaast dat uit onderzoek van Thale Roosien blijkt dat de houtwal op het perceel Wezenland 34 behouden kan blijven, ondanks de inrichting van de Wezenland als ontsluitingsweg. Voor die houtwal is dan ook geen gewijzigde planregeling vastgesteld, aldus het college.

Het college stelt voorts dat het plan met inachtneming van de randvoorwaarden kan worden gerealiseerd. In dit verband brengt het college onder meer naar voren dat volgens hem de inrichting van de Wezenland als ontsluitingsweg niet tot verdichting van de bodem zal leiden en dat ter plaatse gezien de beschikbare ruimte met een breedte van 7,6 tot 7,2 meter, ook een ontsluitingsweg kan worden aangelegd.

6.2. De notitie van Purple Blue bevat onder meer een samenvatting van het Veldverslag inspectie bomen Molenbeek te Nunspeet van Tauw van 17 december 2012. De notitie heeft betrekking op vier houtwallen in het plangebied en bevat per houtwal een dwarsdoorsnede van de referentieboom in de houtwal. Aan de hand van de referentieboom is vastgesteld op welke afstand van de houtwal bebouwing kan worden gerealiseerd. Uit de notitie volgt dat een aantal voorwaarden bij de realisering van het plan in acht dient te worden genomen teneinde waardevolle houtwallen te kunnen behouden. Zo is onder meer vermeld dat geen bouwwerken mogen worden geplaatst binnen de kroon van de boom, er geen maaiveldophoging of -verlaging binnen de kroon van de boom mag plaatsvinden, nabij de stam de grond niet mag worden opgehoogd en er geen fluctuatie optreedt groter dan 10 cm in het grondwater ter plaatse van wortelgroei van de bestaande houtopstanden door ophoging van omliggende gronden. Uit de notitie volgt voorts dat de gronden alleen zullen worden opgehoogd ter plaatse van de voorziene woningen en dat tuingedeelten die grenzen aan de houtwallen niet zullen worden opgehoogd. De Wezenland en de wegen die hierop aantakken zullen evenmin integraal worden opgehoogd. Voor verbreding van de Wezenland is een geringe ophoging nodig, dit gaat - zo volgt uit de notitie - echter niet ten koste van waardevolle houtwallen.

6.2.1. De bomen effect analyse heeft betrekking op diverse bomen op en nabij de percelen Wezenland 31 en 34. In het onderzoeksrapport is vermeld dat de bomen in de houtwal in goede conditie zijn dankzij de gunstige groeiplaatsomstandigheden. Voor behoud van de bomen is van belang dat deze groeiplaatsomstandigheden zowel kwantitatief als kwalitatief behouden blijven. Bij gelijkblijvende omstandigheden hebben de bomen een overwegend goede toekomstverwachting. Bij realisering van het plan zullen de bomen in de houtwal volgens het onderzoeksrapport niet duurzaam en veilig kunnen worden behouden. De graafwerkzaamheden zullen leiden tot (forse) wortelschade en -verlies. Het advies is onder meer om binnen de zogenoemde kwetsbare zone van de bomen in de houtwal, bestaande uit het bovengrondse deel, de ondergrondse ruimte van het bodemprofiel dat reeds is doorworteld alsmede de ruimte die voor de toekomstige groei essentieel is, geen graafwerkzaamheden uit te voeren, de grond niet op te hogen noch te verdichten. In ieder geval dient een en ander niet plaats te vinden binnen de kroonprojecties van de bomen. Tot slot zijn een aantal boombeschermende maatregelen geformuleerd in het onderzoeksrapport, waaronder het inzetten van een bomenwacht.

6.2.2. De second opinion van tree-O-logic heeft betrekking op de houtwal op het perceel van [appellant sub 1] aan de [locatie 1]. In het onderzoeksrapport is vermeld dat de kroonprojecties zoals vermeld in de notitie van Purple Blue onjuist zijn. Zo zou de werkelijke projectie op het breedste punt een breedte hebben van 8,5 meter. Verder zijn de in de notitie van Purple Blue genoemde afstanden tot de erfgrens onjuist. Volgens het onderzoeksrapport zijn er 6 bomen die op minder dan 2 meter uit de erfgrens staan. De conclusie van het onderzoeksrapport is dat een groot deel van de randvoorwaarden in de notitie van Purple Blue niet kan worden nagekomen. Ook is volgens de notitie aanvullend onderzoek nodig, nu onder meer de gevolgen van ophoging voor de ontwatering niet zijn onderzocht.

6.2.3. De second opinion van Treevision bevat een kritische analyse van de notitie van Purple Blue. Zo wordt onder meer gesteld dat de kroonprojectie van de referentieboom in houtwal 3 onjuist is weergegeven. De conclusie is dat de cultuurhistorisch waardevolle bomen onvoldoende worden beschermd en dat de in de notitie van Purple Blue geformuleerde randvoorwaarden niet kunnen worden nagekomen.

6.2.4. In het rapport van XTNT wordt ingegaan op het inrichten van de Wezenland als ontsluitingsweg. In het bijzonder wordt ingegaan op de situatie bij het perceel Wezenland 31. Uit het rapport volgt dat de weg zo smal wordt dat eenrichtingsverkeer nodig is. De ruimte van 6 tot 7 meter is te beperkt om een tweerichtingsweg aan te leggen, aangezien hier - onder meer gelet op de verkeersveiligheid - een minimale breedte van 8,5 meter voor nodig is. In het rapport worden suggesties gedaan om de situatie ter plaatse van het perceel Wezenland 31 te verbeteren. Een van de suggesties is om 1,5 tot 2 meter grond aan te kopen van dit perceel.

6.2.5. In de aanvulling second opinion van XTNT wordt geconcludeerd dat het gezien de randvoorwaarden - zoals opgenomen in de notitie van Purple Blue - onmogelijk is om de ontsluitingsweg zo te construeren als door het college eerder is voorgesteld. Er is volgens deze second opinion slechts 4,4 meter de ruimte om de ontsluitingsweg aan te leggen, terwijl op basis van CROW kencijfers een minimale breedte van 5,5 meter voor de rijbaan is vereist en 1,5 meter voor het troittoir. Daarnaast is de Wezenland volgens de second opinion ook ongeschikt als bouwweg, hetgeen wordt bevestigd in het verkeersbesluit van 24 februari 2009.

6.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Tuinen - 2" aangewezen gronden bestemd voor Tuinen.

Ingevolge lid 5.2 mogen op en in de gronden als bedoeld in lid 5.1 geen bouwwerken worden gebouwd

Ingevolge lid 5.3 wordt tot een met het uitwerkingsplan strijdig gebruik in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van de gronden ten behoeve van: a. het aanbrengen van gesloten verharding, b. het ophogen van gronden, c. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook gerekend wordt woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen en d. het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren. Een en ander tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden.

6.4. [appellant sub 2] heeft in zijn beroep tegen het besluit van 14 februari 2012 geen gronden aangevoerd ten aanzien van het onderwerp van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht met betrekking tot het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bomen. In zijn zienswijze tegen het besluit van 22 januari 2013 voert hij gronden aan over de wijze waarop in dat besluit uitvoering is gegeven aan de opdracht. Hiermee heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Nu [appellant sub 2] door het besluit van 22 januari 2013 niet in een nadeligere positie is komen te verkeren kan, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 2] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

6.4.1. De Afdeling begrijpt de standpunten van partijen aldus dat tussen hen niet in geschil is dat de planrealisering moet voldoen aan randvoorwaarden, waaronder die dat binnen de kroonprojectie van van waardevolle houtwallen deel uitmakende bomen de gronden niet mogen worden opgehoogd, geen graafwerkzaamheden mogen plaatsvinden ter plaatse van die gronden en geen verdichting van de bodem mag optreden, wil kunnen worden geoordeeld dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waardevolle houtwallen. Partijen zijn evenwel verdeeld over de vraag wat de precieze omvang en situering zijn van de kroonprojecties van de te beschermen houtwallen en hoe de in het plan voorziene ontwikkeling zich verhoudt tot die randvoorwaarden. Voor zover nog ter discussie wordt gesteld in hoeverre het college het onderzoek heeft kunnen beperken tot de houtwallen zoals opgenomen op de kaart houtwallen, wordt overwogen dat de Afdeling behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan teruggekomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een dergelijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

6.4.2. Gezien de hiervoor verkort weergegeven onderzoeksrapporten alsmede het verhandelde ter zitting, is ook met het besluit van 22 januari 2013 niet inzichtelijk gemaakt of de realisering van het plan onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waardevolle houtwallen in het plangebied. In het bijzonder is onduidelijk hoe de realisering van het plan zich verhoudt tot de randvoorwaarden uit de notitie van Purple Blue, die ook volgens het college noodzakelijk zijn voor het behoud van de waardevolle houtwallen. Zo is onder meer niet komen vast te staan of de inrichting van de Wezenland als ontsluitingsweg mogelijk is buiten de kroonprojectie van de bomen aldaar, die deel uitmaken van de waardevolle houtwallen, en zonder dat er eventuele verdichting van de bodem optreedt of dat wortels van die houtopstanden in greppels worden aangetast in verband met het dempen ervan. Ook is door het college onvoldoende onderbouwd hoe de realisering van de bestemming "Verkeer" nabij het perceel van [appellant sub 1] zich verhoudt tot de op dit perceel te behouden waardevolle houtwal. De enkele stelling dat bij de uitvoering van het plan rekening wordt gehouden met de houtwal en dat mogelijk extra maatregelen worden getroffen, is hiertoe onvoldoende. Nu bovendien niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat de kroonprojecties juist zijn gemeten, terwijl de betreffende gegevens gezien de randvoorwaarden van wezenlijk belang zijn, en ook de keuze voor de zogenoemde referentieboom in de notitie van Purple Blue niet is onderbouwd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

7. [appellant sub 3] vreest voorts voor wateroverlast op zijn perceel ten gevolge van de voorziene verhoging van het wegdek van de Wezenland, de voorziene ophoging van een deel van het plangebied en de grote rol die de greppels langs de Wezenland krijgen voor de afwatering.

7.1. [appellant sub 3] heeft hiermee zijn beroepsgronden uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 3] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

8. [appellant sub 3] voert verder, onder verwijzing naar het rapport van XTNT, aan dat de inrichting van de Wezenland als enige toegangsweg en enige bouwweg leidt tot een verkeersonveilige situatie.

9. Voor zover [appellant sub 3] zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een dergelijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Conclusies plan

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de in de tussenuitspraak genoemde gebreken deels niet hersteld.

10.1. De beroepen tegen het besluit van 14 februari 2012 zijn gezien de tussenuitspraak gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 22 januari 2013 ongegrond. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 22 januari 2013 is genomen in strijd met 3:2 van de Awb. Deze beroepen zijn gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd.

Het exploitatieplan

11. Het exploitatieplan omvat het gehele plangebied van het bestemmingsplan "Molenbeek", waarvan het plan gedeeltelijk een uitwerking is. Het exploitatieplan "Molenbeek" is eerder door de Afdeling bij uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907364/1/R2, vernietigd.

Het besluit van 29 maart 2012

12. De Afdeling heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de artikelen 6.18 in verbinding gelezen met artikel 6.13, eerste lid, sub c, onder 6, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen om binnen 16 weken na verzending daarvan:

- het besluit te wijzigen op een wijze als bedoeld in overweging 22.1;

- met inachtneming van hetgeen onder 23.5 is overwogen het besluit te wijzigen in die zin dat uit het exploitatieplan blijkt op welke wijze de factoren als bedoeld in artikel 6.18 van de Wro bij de bepaling van de verschuldigde exploitatiebijdragen zijn, respectievelijk worden betrokken;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

12.1. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond en dient dit besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en de artikelen 6.18 in verbinding gelezen met artikel 6.13, eerste lid, sub c, onder 6, van de Wro.

Het besluit van 20 december 2012

13. Bij het besluit van 20 december 2012 heeft de raad het exploitatieplan gewijzigd vastgesteld, onder meer in die zin dat de grondopbrengsten voor woningen in fase 1 opnieuw zijn berekend en toegelicht en dat de Uitvoeringsnota Grondprijsbeleid alsmede het overzicht exploitatiebijdragen per kavel zijn vastgesteld als bijlage van het exploitatieplan.

13.1. Het besluit van 20 december 2012 is gezien de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant sub 2] wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Inhoudelijk

14. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10.1. is overwogen zal de Afdeling de besluiten van 14 februari 2012 en van 22 januari 2013 tot vaststelling van het plan vernietigen. Nu tussen het plan en het exploitatieplan een onlosmakelijke samenhang bestaat die onder meer is af te leiden uit de functie van het exploitatieplan voor verwezenlijking van het plan, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding ook het besluit van 20 december 2012 tot vaststelling van het exploitatieplan te vernietigen. Aangezien tussen het onderdeel van het exploitatieplan waarop het plan betrekking heeft, en de overige onderdelen van het exploitatieplan, eveneens een onlosmakelijk samenhang bestaat, zal de Afdeling het gehele exploitatieplan vernietigen. Het beroep van [appellant sub 2] is derhalve gegrond. De beroepsgronden van [appellant sub 2] kunnen buiten bespreking blijven.

Slotoverwegingen

15. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding het college op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

16. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 14 februari 2012 gedeeltelijk, en de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] geheel, gegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 14 februari 2012 voor het overige ongegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet van 14 februari 2012, kenmerk A.7354;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nunspeet van 29 maart 2012, nr. 202;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2013 gegrond;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 22 januari 2013 ongegrond;

VIII. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet van 22 januari 2013, kenmerk A.0009207;

IX. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Nunspeet van 20 december 2012 gegrond;

X. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nunspeet van 20 december 2012, kenmerk R.0002710;

XI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel VIII wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

XII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet tot vergoeding van:

a. bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2362,20 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeënzestig euro en twintig cent), voor een deel van € 1652,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1733,00 (zegge: zeventienhonderddrieëndertig euro), voor een deel van € 1652,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. bij [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 976,27 (zegge: negenhonderdzesenzeventig euro en zevenentwintig cent);

XIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nunspeet aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B];

b. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B];

c. . € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro euro) voor [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B].

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

647-647.