Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
201111378/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2011 heeft het college van gedeputeerde staten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Orion B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een afvalverwerkingsbedrijf aan De Steven 25 te Drachten, gemeente Smallingerland.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3217
JAF 2013/396 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111378/1/A4.

Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2011 heeft het college van gedeputeerde staten aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Orion B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor een afvalverwerkingsbedrijf aan De Steven 25 te Drachten, gemeente Smallingerland.

Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Orion heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college van burgemeester en wethouders heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2013, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. N.J. Hoek en ing. W. Wierda, beiden werkzaam bij de gemeente, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door H. Stapert, werkzaam bij de provincie, en mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Orion, vertegenwoordigd door haar [directeur] en mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 8 mei 2013 in zaak nr. 201111378/1/T1/A4 heeft de Afdeling het college van gedeputeerde staten opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 13 september 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 24 juli 2013 heeft het college van gedeputeerde staten het besluit van 13 september 2011 gewijzigd.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders een zienswijze over het besluit van 24 juli 2013 ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 13 september 2011 in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) tot stand is gekomen, nu het college van gedeputeerde staten niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de in dat besluit voorgeschreven voorzieningen ter voorkoming van lozing van polychloorbifenylen (hierna: PCB) beste beschikbare technieken (hierna: BBT) zijn. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten niet deugdelijk gemotiveerd waarom het voorschrijven van een vulpuntmorsbak onder de aansluiting van de opslagtank op de laad- en losslang niet nodig is om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen.

De Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten in de tussenuitspraak opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 6.4 en 7.3 daarvan is overwogen de gebreken te herstellen.

2. Het besluit van 24 juli 2013, waarbij het college van gedeputeerde staten het besluit van 13 september 2011 naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft gewijzigd, is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, zoals dat sinds 1 januari 2013 luidt, mede onderwerp van het geding.

3. Bij de voorbereiding van het besluit van 24 juli 2013 heeft het college van gedeputeerde staten opnieuw beoordeeld of in de inrichting de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast met betrekking tot het voorkomen van de lozing van PCB in het afvalwater en geconcludeerd dat dat niet het geval is. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat, gelet op de conclusies van de StAB en het rapport "RIVM beoordeling PCB oriënterend onderzoek lozing op rioolstelsel in "De Haven" te Drachten" van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van 20 december 2012, de visuele inspectie op PCB in het water in de lekbakken onder de opslagtanks onvoldoende waarborgt dat geen PCB wordt geloosd. Nu volgens het college van gedeputeerde staten een afdak boven de opslagtanks het risico van een dergelijke lozing evenmin voldoende verkleint, heeft het bij het besluit van 24 juli 2013 voorschriften A.1.2 en A.1.3 aan de op 13 september 2011 verleende revisievergunning verbonden. Daarin is onder meer bepaald dat de in de lekbakken onder de tanks opgevangen vloeistoffen - waaronder het hemelwater - tijdig moeten worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Hiermee wordt geheel voorkomen dat enig water met PCB vanuit de lekbakken wordt geloosd, hetgeen voldoet aan de BBT, aldus het college van gedeputeerde staten. Daarnaast heeft het college van gedeputeerde staten voorschrift Q.1.12 ingetrokken en dit vervangen door voorschrift A.1.1, waarin het gebruik van een vulpuntmorsbak is voorgeschreven.

4. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat voorschrift A.1.1 onvoldoende duidelijk is. Daartoe voert het aan dat het voorschrift ten onrechte geen inhoudsmaat van de vulpuntmorsbak voorschrijft. Voorts worden in het voorschrift ten onrechte de termen vulpuntmorsbak en lekbak niet op consequente wijze gehanteerd. Gelet hierop dient voorschrift A.1.1 te worden aangepast, aldus het college van burgemeester en wethouders.

4.1. Voorschrift A.1.1 luidt:

`Het vullen en legen van een opslagtank en een tankwagen moet zonder morsen geschieden. Onder het vulpunt, resp. het lospunt van de tankwagen en het aansluitpunt op de tank moet een vulpuntmorsbak met een oppervlak van ten minste 0,25 m², die bestand is tegen de betreffende vloeistoffen, zijn geplaatst. Deze lekbak moet zodanig zijn geplaatst of afgedekt dat zich er geen (regen)water in kan verzamelen.’

4.2. De strekking van voorschrift A.1.1 is dat een vulpuntmorsbak wordt geplaatst die eventueel lekkende vloeistoffen die tijdens het vullen of het legen van de opslagtank en de tankwagen vrijkomen in toereikende mate kan opvangen. Daaruit kan worden afgeleid dat de vulpuntmorsbak in ieder geval groot genoeg moet zijn om alle eventueel gemorste vloeistoffen op te vangen. Nu voorts in voorschrift A.1.1 een minimale oppervlaktemaat is voorgeschreven, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het voorschrift zonder het voorschrijven van een inhoudsmaat onvoldoende duidelijk is.

In zoverre bestaat derhalve geen aanleiding voor de conclusie dat het voorschrift onvoldoende duidelijk is. Wat betreft het standpunt dat de in het voorschrift gehanteerde termen vulpuntmorsbak en lekbak niet op consequente wijze worden gehanteerd, overweegt de Afdeling dat uit de tweede en derde volzin van voorschrift A.1.1 in onderlinge samenhang duidelijk blijkt dat met de term 'deze lekbak’ de te plaatsen vulpuntmorsbak wordt bedoeld. Gelet hierop bestaat ook in zoverre geen grond voor het oordeel dat het voorschrift onvoldoende duidelijk is.

De beroepsgrond faalt.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de in de tussenuitspraak genoemde gebreken hersteld.

6. Het beroep tegen het besluit van 13 september 2011 is gezien de tussenuitspraak gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal, gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 4.2 en 5 van deze uitspraak is overwogen, bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 september 2011 in stand blijven.

Het beroep van het college van burgemeester en wethouders tegen het besluit van 24 juli 2013 is ongegrond.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 13 september 2011, kenmerk 00970548, gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 13 september 2011, kenmerk 00970548;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Fryslân van 24 juli 2013, kenmerk 01066867, ongegrond;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Fryslân aan het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

457-742.