Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201208876/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208876/1/V2.

Datum uitspraak: 12 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 augustus 2012 in zaken nrs. 12/25588 en 12/25589 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ambtshalve wordt als volgt overwogen.

2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

2.3. De vreemdeling heeft eerder, op 3 mei 2011, een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij besluit van 15 februari 2012 heeft de staatssecretaris die aanvraag opnieuw afgewezen. Het besluit van 10 augustus 2012 is van gelijke strekking als dat van 15 februari 2012, zodat op het daartegen ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

2.4. De vreemdeling heeft in onderhavige procedure aangevoerd dat hij, als Hazara, niet kan terugkeren naar Afghanistan. De vreemdeling heeft dit in de eerste asielprocedure niet als asielmotief aangevoerd. Niet valt in te zien dat hij de gestelde vrees wegens zijn etnische afkomst niet reeds bij zijn op 3 mei 2011 ingediende asielaanvraag naar voren had kunnen en, gezien de mogelijke relevantie ervan voor beoordeling van die aanvraag, had behoren te brengen. Dit asielmotief en de ter staving daarvan overgelegde stukken kunnen dan ook niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, als hiervoor bedoeld. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de documenten die de vreemdeling bij zijn aanvraag van 2 augustus 2012 heeft overgelegd ter onderbouwing van hetgeen hij in de eerste procedure naar voren heeft gebracht over de problemen van zijn vader geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, als hiervoor bedoeld.

5. De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag van 2 augustus 2012 voorts ten grondslag gelegd dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, in de provincie Uruzgan in het bijzonder, zodanig is verslechterd dat zich daar thans de situatie voordoet, waartegen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bescherming biedt. Daartoe heeft hij verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van augustus 2011, het 'Quarterly Data Report' van The Afghanistan NGO Safety Office van januari 2012, het 'World Report 2012: Afghanistan' van Human Rights Watch van januari 2012 en het 'Afghanistan Annual Report 2011 on Protection of Civilians in Armed Conflict' van de United Nations Assistance Mission in Afghanistan van februari 2012.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201111523/1/V2) kon uit de in die zaak overgelegde documenten, in het licht van de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 20 juli 2010, N. tegen Zweden, nr. 23505/09 (JV 2010/373), 13 oktober 2011, Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09 (www.echr.coe.int) en 9 april 2013, H. en B. tegen het Verenigd Koninkrijk, nrs. 70073/10 en 44539/11 (www.echr.coe.int), niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in Afghanistan dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid daar, een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging.

5.2. De door de vreemdeling overgelegde stukken, voor zover deze niet reeds bij het arrest van 9 april 2013 zijn betrokken, dateren van voor dat arrest en bieden geen grond voor het oordeel dat de mate van willekeurig geweld ten tijde van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de provincie Uruzgan, louter door zijn aanwezigheid daar, een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2013 in zaak nr. 201202432/1/V2). Derhalve is op voorhand uitgesloten dat deze stukken kunnen afdoen aan het besluit van 15 februari 2012.

6. Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een relevante wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965 (JV 1998/45), is voor toetsing van het besluit van 10 augustus 2012 geen plaats.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 31 augustus 2012 in zaak nr. 12/25588;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2013

549.