Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2089

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
201208941/1/A2, 201208951/1/A2 en 201208954/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 15 april 2011 heeft het Participatiefonds de stichting te kennen gegeven de uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag van drie leerkrachten niet te zullen vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208941/1/A2, 201208951/1/A2 en 201208954/1/A2.

Datum uitspraak: 20 november 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

de stichting Stichting voor Katholiek Protestants-Christelijk Primair Onderwijs Optimus, gevestigd te Cuijk,

appellante,

en

Het bestuur van het Participatiefonds (hierna: het Participatiefonds),

verweerder.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 15 april 2011 heeft het Participatiefonds de stichting te kennen gegeven de uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag van drie leerkrachten niet te zullen vergoeden.

Bij onderscheiden besluiten van 25 juli 2012 heeft het Participatiefonds de door de stichting hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten heeft de stichting beroep ingesteld.

Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 10 oktober 2013, waar de stichting, vertegenwoordigd door P. Jetten, werkzaam bij de stichting, bijgestaan door mr. M.R.A. Dekker, advocaat te Den Haag, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. M. Wieërs en A. de Zeeuw-van der Bijl, beiden werkzaam bij het Participatiefonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 138, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO), worden op de bekostiging in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van uitkeringen of suppleties als bedoeld in de eerste volzin.

Ingevolge artikel 184, eerste lid, is het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst aangesloten bij een door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet ten behoeve van gewezen personeel.

Ingevolge het vierde lid stelt de rechtspersoon regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst als bedoeld in artikel 138, derde lid.

Het Participatiefonds is de in artikel 184, eerste en vierde lid, van de WPO bedoelde rechtspersoon. Het heeft voor het schooljaar 2007-2008 krachtens voorgaande bepaling het "Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs voor het schooljaar 2007-2008" (hierna: het Reglement) vastgesteld, dat in werking is getreden op 1 februari 2007 en betrekking heeft op alle ontslagen die per of na 1 augustus 2007 zijn of worden geëffectueerd.

Ingevolge artikel 1, onder 4, van het Reglement wordt onder benoeming in reguliere betrekking een (her)benoeming in een betrekking niet zijnde een vervangingsbetrekking verstaan.

Ingevolge het bepaalde onder 26 wordt onder ontslag de beëindiging van een dienstverband voor onbepaalde tijd verstaan. Het eindigen of de beëindiging van een tijdelijk dienstverband voor bepaalde tijd, of een tijdelijke uitbreiding van een (vast) dienstverband, wordt ongeacht de reden met ontslag gelijk gesteld. Uitzondering hierop is het eindigen van een vervangingsbetrekking waaraan geen reguliere aanstelling vooraf is gegaan.

Ingevolge het bepaalde onder 37 wordt onder een vervangingsbetrekking verstaan een aanstelling van een personeelslid ter vervanging, niet zijnde bij detachering, waarbij het betreft vervanging bij de in de toelichting limitatief opgesomde vormen van afwezigheid.

Ingevolge artikel 3.1 worden de kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, conform artikel 138, derde lid, van de WPO door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in mindering gebracht op de door het bevoegd gezag verkregen vergoeding van de uitgaven voor het personeel, tenzij het Participatiefonds instemt met het verzoek de uitkeringskosten ten laste van dit fonds te laten komen. Dit vergoedingsverzoek wordt aan de hand van een door het bevoegd gezag ingediende melding beoordeeld.

Ingevolge artikel 4.1 rust op het bevoegd gezag de verplichting in redelijkheid datgene te doen wat van hem verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, onderscheidenlijk om instroom in een werkloosheidsuitkering te voorkomen.

Ingevolge artikel 4.4 wordt bij elke melding beoordeeld of aan het in artikel 4.1 gestelde is voldaan. Indien blijkt dat onvoldoende uitvoering is gegeven aan de activiteiten genoemd in het artikel dat op het ontslag van toepassing is, wordt het vergoedingsverzoek afgewezen.

2. Aan de besluiten van 25 juli 2012 heeft het Participatiefonds ten grondslag gelegd dat de leerkrachten, voorafgaand aan hun vervangingsbetrekking, een regulier dienstverband hadden en de beëindiging van die vervangingsbetrekking, gelet op artikel 1, onder 26, laatste volzin van het Reglement, derhalve met ontslag moet worden gelijkgesteld. Nu het fonds niet heeft kunnen vaststellen op welke grond de ontslagen uit regulier dienstverband onvermijdbaar waren, komen de uitkeringskosten die uit die ontslagen voortvloeien voor rekening van de stichting.

3. De stichting betoogt dat het Participatiefonds ten onrechte het eindigen van de vervangingsbetrekking op basis waarvan de leerkrachten werkzaam waren heeft gelijkgesteld met ontslag. De leerkrachten hadden voor hun vervangingsbetrekking aanving een tijdelijke aanstelling van slechts twee dagen. Een aanstelling die zo kort van duur is en een vervangend karakter heeft is niet als een reguliere aanstelling te beschouwen. Bovendien werden de desbetreffende leerkrachten ook voortdurend als vervangers ingezet. Het fonds had daarom bij de toepassing van artikel 1, onder 26, van het Reglement ervan moeten uitgaan dat aan de vervangingsbetrekkingen geen reguliere betrekkingen vooraf zijn gegaan.

3.1. Uit de systematiek van het Reglement volgt dat een leerkracht werkzaam is op basis van ofwel een reguliere betrekking ofwel een vervangingsbetrekking. Een betrekking kan slechts als vervangingsbetrekking worden aangemerkt als deze de vervanging van een personeelslid betreft die om een van de in de toelichting op artikel 1, onder 37, van het Reglement limitatief opgesomde redenen afwezig is. In de door de stichting overgelegde akten van benoeming van de leerkrachten om wie het in deze zaken gaat is niet vermeld om welke van deze redenen zij een andere leerkracht vervangen. Het moet er daarom, gelet op artikel 1, onder 4, van het Reglement, voor worden gehouden dat zij werkzaam waren op basis van een reguliere betrekking. Het vorenstaande brengt met zich dat het Participatiefonds artikel 1, onder 26, van het Regelement juist heeft toegepast.

Het betoog faalt.

4. De stichting betoogt voorts dat het Participatiefonds ten onrechte niet heeft beoordeeld of zij aan de verplichting als omschreven in artikel 4.1 van het Reglement heeft voldaan. De stichting voert hiertoe aan dat, hoewel zij zelf steeds de stelling heeft betrokken dat de beëindiging van de vervangingsbetrekkingen niet had hoeven worden gemeld, zij het Participatiefonds van alle benodigde informatie heeft voorzien om deze beëindiging te toetsen. Het fonds had hiertoe dan ook zelfstandig moeten overgaan, aldus de stichting.

4.1. Uit artikel 138, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 184, eerste lid, van de WPO en artikel 3.2 van het Reglement volgt dat het Participatiefonds slechts op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag - in dit geval: de stichting - de kosten van het ontslag vergoedt. Voor een ambtshalve beoordeling van door het bevoegd gezag overgelegde stukken is in de WPO en het Reglement geen grondslag te vinden. Het fonds kan dan ook niet worden tegengeworpen dat het niet tot een beoordeling van de door de stichting overgelegde stukken is overgegaan.

Het betoog faalt.

5. De door de stichting ingenomen stelling dat de door het Participatiefonds genomen besluiten ondeugdelijk zijn, omdat daarin wordt uitgegaan van onjuiste data, kan haar niet baten, nu zij geen verzoek als bedoeld in de artikelen 138, derde lid, van de WPO en 3.1 van het Reglement heeft gedaan en het fonds haar bezwaar reeds hierom terecht ongegrond heeft verklaard.

6. De beroepen zijn ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2013

362-735.